Blandina’s zijn van Venus en de rechtenboys van Mars

De wetenschap achter de SIMON-test

De SIMON-test: het is een al te bekende naam voor iedere student die even heeft moeten slikken bij het maken van een studiekeuze. Minder gekend is wellicht de wetenschap achter deze oriënterings- en positioneringstest.

Een kersvers academiejaar vormt de ideale gelegenheid om diepgewortelde frustraties weer even de vrije loop te laten. Zo wordt in kranten opnieuw wekenlang gekibbeld over alles omtrent het universitaire leven.

Maar de meest gefrustreerde commentator is misschien wel de student zelf, die met nog maar eens een nieuw academiejaar in zicht zijn opgekropte ergernissen plots weer in het verschiet ziet liggen. Zo duikt de discussie rond de SIMON-test weer op. Een gevoelig onderwerp, zo blijkt. Veelal rijst de vraag wat voor iets die SIMON nu eigenlijk is: een kwakzalver of een orakel? Wij vroegen het aan Lot Fonteyne, verantwoordelijke voor de SIMON-test.

Een groot project

Voor sommigen doet de SIMON-test slechts een pover belletje rinkelen, misschien vaag geassocieerd met verloren zomeruren. Begrijpelijk, want voor velen is het vast al even geleden dat ze, met klamme handen tokkelend op het toetsenbord, de test hebben ingevuld.

Zou jij het zien zitten om op een boorplatform te werken?

De SIMON-test is een oriënterings- en positioneringsinstrument. Het oriënterend gedeelte van de test, ‘Vraag het aan SIMON’, bestaat uit een resem vragen die erop gericht zijn de interesses en vaardigheden van de student bloot te leggen. Om deze in kaart te brengen wordt een brede waaier aan vragen op je afgevuurd, variërend van “Organiseer jij graag evenementen?” tot “Zou jij het zien zitten om op een boorplatform te werken?”

Het tweede deel van de test gaat daar verder op in. Hier wordt aan de hand van een extra portie vragen en aanvullende testen berekend hoe geschikt iemand is voor een specifieke richting. Voor iedere student bepaalt SIMON de slaagkans, gaand van ‘zeer laag’ en ‘laag’ tot ‘vrij hoog’ en ‘hoog’. Studiekiezers kunnen deze informatie gebruiken om een opleiding te kiezen die aansluit bij hun interesses en talenten.

Studenten die net starten in een opleiding worden dan weer geconfronteerd met ‘SIMON zegt’. Na het invullen van de test krijgen zij eveneens feedback over hun slaagkans en over hoe hun vaardigheden zijn afgestemd op hun studiekeuze. Zo kunnen zij zien hoe ze ervoor staan bij de start van hun opleiding. “De nadruk ligt in deze laatste test op remediëring”, aldus Fonteyne. “De stap om studiehulp te zoeken blijft erg groot. Er is een enorm aanbod aan remediëring vanuit de universiteit. Helaas maakt niet iedereen daar gebruik van en de mensen die er wel gebruik van maken, zijn dikwijls niet degenen die er het meest behoefte aan hebben. Met het SIMON zegt-feedbackrapport hopen we de juiste studenten te activeren om tijdig hulp te zoeken.”

On the Origin Of

Ieders gezicht vertrekt in een kritische frons. Hoe kan men aan de hand van wat ik intik achterhalen in hoeverre mijn academische loopbaan succesvol zal verlopen? Tijd om de black box te openen. Fonteyne schetst hoe het programma tot stand is gekomen. “We zijn begonnen in 2012, toen we aan alle nieuwe studenten vroegen om SIMON in te vullen. Op het einde van het jaar keken we dan naar hun resultaten: wie slaagt, wie slaagt niet? Zo konden we hun antwoorden op de SIMON-test in verband brengen met hun latere slaagcijfers aan de universiteit. Sterker nog, konden we dat voor iedere opleiding afzonderlijk doen.” Op die manier kan men nagaan welke factoren belangrijk zijn om het goed te doen in een opleiding.

“We hebben dat een aantal jaren gedaan, totdat we zeker waren dat de slaagkansen die SIMON verstrekt, statistisch gezien robuust genoeg zijn. We willen fout advies immers zoveel mogelijk vermijden en daarom gaan we heel voorzichtig te werk. Vandaar dat heel wat data en statistische analyses zo belangrijk zijn in ons onderzoek.”

"Je gaat weinig modellen met zo’n grote accuratesse vinden." -Fonteyne

De vragen die SIMON stelt om je slaagkans te bepalen toetsen drie factoren: cognitieve vaardigheden, studeervaardigheden en persoonlijkheid. Onder cognitieve vaardigheden verstaat men de basiskennis en het redeneervermogen dat je zou moeten bezitten als student. Studeervaardigheden peilen naar de manier waarop deze persoon te werk gaat bij het studeren. De vragen over persoonlijkheid achterhalen onder meer de motivatie en volharding van een student. Het hangt af van richting tot richting welke factoren het meest doorwegen. “Het meest frappante is dat je voor elke opleiding een goede basiskennis moet combineren met persoonlijkheidsfactoren en studeervaardigheden. Er is niet slechts één opvallende risk factor.

Heel accuraat

Dat SIMON statistisch sterk in zijn schoenen staat, blijkt uit de cijfers. Wanneer iemand bij zijn slaagkans ‘laag’ krijgt, heeft deze persoon maar 30% kans op slagen, iemand met een uitslag ‘vrij hoog’ 55% en de mensen met de hoogste uitslag lezen 70% kans op slagen te hebben. Maar het meest opvallend zijn degenen die met een slaagkans van ‘zeer laag’ geconfronteerd worden. In deze groep hebben studenten slechts 6% kans op slagen in hun richting. Een resultaat van de zuinige manier waarop de test met deze classificatie omspringt om studenten niet onterecht te ontmoedigen de opleiding aan te vatten of verder te zetten.

Fonteyne is zich bewust van deze sterke uitkomst. “Je gaat weinig modellen met zo’n grote accuratesse vinden (lacht). Dat komt deels doordat we op basisvaardigheden inzetten. In SIMON zul je geen complexe taalvraagstukken of onmogelijke wiskunderaadsels aantreffen. Op die manier wordt het eenvoudiger om te zeggen wanneer iemand het écht moeilijk zal hebben in een studie. Als iemand immers echt niet over die basiscompetenties beschikt, dan wordt het bijzonder moeilijk om alsnog te presteren. Die groep studenten kunnen we al heel vroeg identificeren en die bieden we dan ook meteen onze hulp aan.”

"Je kunt wel alle noodzakelijke vaardigheden bezitten, maar gewoon elke nacht in de Overpoort hangen." -Fonteyne

Wel opvallend: voor geen enkele groep scheert het slaagpercentage écht torenhoge toppen. Dit kan Fonteyne echter verklaren: “Je kunt wel alle noodzakelijke vaardigheden bezitten, maar gewoon elke nacht in de Overpoort hangen en dan komt er toch niets terecht van al je capaciteiten.”

PAKSCOC

We hebben echter nog altijd geen inzicht in het deel van de test dat peilt naar onze persoonlijke interesses. “Die zitten anders in elkaar. Voor interesses maken we gebruik van het PAKSOC-model, een vertaling van de bekende RIASEC-persoonlijkheidstesten. Wat we daar doen is in eerste instantie bepalen waar iemand zich bevindt in dat model.”

Het PAKSOC-model is een zeshoekig spectrum dat mensen een score geeft op zes verschillende karaktertrekken. “Praktisch, dat spreekt voor zich. Analytisch betekent dan weer willen weten hoe de zaken in elkaar zitten. Kunstzinnig, je zou het appreciëren van schoonheid in al haar vormen kunnen noemen. Dan heb je het Sociale: werken met mensen. Het Ondernemende: niet bang zijn om te organiseren. En tot slot ook het Conventionele: op zoek gaan naar structuren en regels kunnen naleven.”

De vorm van een zeshoek is dus niet uit esthetische of symbolische overwegingen gekozen. Toch schuilt er een zekere schoonheid in het model. “Dat model zit zo in elkaar dat die ‘persoonlijkheidstypes’ niet lukraak geordend zijn. Mensen die praktisch zijn, leunen bijvoorbeeld vaak dichter aan bij analytische mensen dan bij kunstzinnige mensen. Daarom staan die twee naast elkaar in de figuur. Het conventionele en het creatieve staan dan weer lijnrecht tegenover elkaar. Die is duidelijk, want waar de ene regeltjes volgt, voelt de ander zich een vrije geest.”

De stereotiepen zijn waar

Aan de hand van waar iemand op dit spectrum belandt, is het mogelijk te achterhalen in welke studie hij/zij het meest geïnteresseerd zou zijn. Door de succesvolle studenten van een richting te vragen de PAKSOC-test in te vullen, verkrijgt het team achter SIMON immers steeds betere informatie over de typische persoonlijkheid van een student van die opleiding. Men kan zo bepalen of jouw persoonlijkheid wel strookt met die van je voorgangers. De test verwetenschappelijkt dus wat zonneklaar is voor iedere oplettende student. Al turend naar de doorsnee PAKSOC-resultaten van een richting, merk je hetzelfde op als wanneer je de stereotiepen over faculteiten onder de loep neemt. Blandino’s zijn artistiekelingen gekenmerkt door gewaagde kledingkeuzes, ook wel eens "bedenkelijk" genoemd door deugdelijkere faculteiten.

Blandino’s zijn artistiekelingen gekenmerkt door gewaagde kledingkeuzes.

Zo’n stellingen zijn veralgemenend, maar net als de gemiddelde PAKSOC-scores vormen ze een basis waarmee je kan inschatten of een persoon geschikt is om een bepaalde studie aan te vatten. Om overmatige generalisering te vermijden, specificeert de test wel naargelang afstudeerrichting. “Want, bijvoorbeeld bij de psychologie, krijg je wel een verschil tussen klinische psychologie, die dan eerder op het kunstzinnige gericht is, en bedrijfspsychologie die eerder het praktische karakter vereist. Maar ze hebben alletwee dat sociale in zich.” 

Er zit meer in een liedje dan je denkt, bewijst SIMON dus. De resultaten die na een aantal uren invullen op je scherm verschijnen, baseren zich op een groter achterliggend mechanisme dan menig discutant beweert. Uitkomsten betekenen daarnaast ook geen definitief advies. De bedoeling van het instrument is net om ermee aan de slag te gaan. 'Het blijft een hulpmiddel', beaamt Fonteyne. En dat onthouden we dan weer voor de discussie volgend jaar. 

Nog geen stemmen

Reacties

Bericht: 
Bij de lancering van de SIMON-test in 2012 -die universiteiten werd opgelegd vanuit het Vlaams departement onderwijs- kwam er vanuit zowel de studenten als het personeel bakken kritiek (zie online raad te plegen beleidsdocumenten Gentse Studentenraad). De test was toen immers statistisch niet in staat om te differentiëren waardoor de student-nieuwkomer een homogeen beeld kreeg van de richting en zichzelf. Bovendien was de Gentse Studentenraad van mening dat de SIMON-test die een groot afschrikmiddel kan zijn voor sommige studenten niet op zichzelf zou mogen bestaan, maar ingebed moet zitten in een sterk oriënteringstraject dat aanmoedigt en begeleidt (uitbreiding van monitoraatswerking, bijlessen voor studenten die niet uit sterke ASO-richtingen komen...). Heeft Schamper weet of deze pijnpunten nog altijd aanwezig zijn? En hoe staat Fonteyne hier allemaal tegenover?

Reactie toevoegen