België en haar (racistische?) politiesysteem

Na lang disproportioneel politiegeweld in de Verenigde Staten is de emmer nu volledig overgelopen en komen mensen op straat. De dood van George Floyd creëerde een rimpelbeweging die ook bij ons voelbaar is. TIME Magazine schreef een artikel over het Amerikaanse politiestysteem, maar hoe is dat er bij ons aan toe?

Het Belgische politiesysteem zoals wij het nu kennen bestaat eigenlijk helemaal nog niet lang. Vandaag hebben we een verenigd politie-orgaan dat gestructureerd is op twee niveau’s: federaal en lokaal. Dat systeem is echter pas van toepassing sinds 1998. Daarvoor werd de bevoegdheid van het behoud van de sociale orde bij een hoop verschillende politiediensten gelegd: de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten, en ook kleinere diensten zoals de zeevaartpolitie. Maar hoe kwamen die tot stand? Zit er in ons systeem net zo veel racisme ingebed als in de VS? En hoe zit het met discriminatie nu?

Geschiedenis tot het je oren uitkomt

Een eerste vorm van politie in onze regio was er al in 1794 tijdens de Franse bezetting. Politieagenten kwamen toen uit de burgerij en dienden enkel om de lagere klasse te controleren. Tijdens de overheersing van Napoleon werd de politie echter ook boven de politiek geplaatst. Ze moest dus alles en iedereen controleren en gehoorzaamde enkel aan Napoleon zelf. 

Zit er in ons systeem net zo veel racisme ingebed als in de VS?

In 1830 werd België onafhankelijk, en bij een nieuw land hoort natuurlijk een grondwet. Opvallend is dat er in onze grondwet geen wettelijk kader rond openbare orde stond opgesteld. Die kwam er pas echt in 1998 met de creatie van de federale en lokale politiediensten. Wat er wel al was, was het comité (later ministerieel kabinet) van de openbare orde. De bevoegdheid van de openbare orde is: “het toezien op de uitvoering van de wetten en reglementen van de Algemene Politie”.

In de woelige tijd na de opstanden in 1830 is ook de burgerwacht ontstaan: deze waren oorspronkelijk quasi-lijfwachten voor aristocraten. Later werden ze erkend als officieel deel van de Openbare Veiligheid, de latere rijkswacht. Hoewel die onder de bevoegdheid van de burgemeesters viel, was er weinig overkoepelende controle, en zeker niet over geheime archieven of dossiers van onder toezicht geplaatste vreemdelingen. En net daarin komen er een aantal problemen naar boven.

In 1840 wordt, uit angst voor de veelal politieke Franse en Duitse vluchtelingen, het toezicht op hen aangescherpt. De gemeentepolitie wordt verplicht iedere aankomst van een vreemdeling die zich in de gemeente wil vestigen aan de Openbare Veiligheid (OV) te melden. Het is de administrateur-generaal (hoofd van de OV) die dan oordeelt over de wettigheid van de aanwezigheid. Uitleveringen waren schering en inslag, en niet altijd om wettige redenen, waarbij op het einde van de lange 19de eeuw niet alleen vreemdelingen, maar ook anarchisten en politieke vluchtelingen het mikpunt waren van de OV. Een eerste tegenstand hiertegen komt uit socialistische hoek, waar men vraagt om tegenover een politionele uitspraak ook een gerechtelijke uitspraak inzake een uitzetting te doen. Zo zou de politie het monopolie hierop niet langer hebben. Dit voorstel wordt echter niet uitgewerkt.

De verschillende politiediensten waren soms zelfs concurrenten en er was sprake van een politieoorlog.

In een notendop kunnen we hetvolgende zeggen: de rijkswacht is bij ons voor een deel ontstaan uit de aristocratie. Ook heeft ze een geschiedenis van hard optreden tegen ‘vreemdelingen’, al betekent dat in deze context ook mensen uit andere Europese landen. Deze konden ook administratief aangehouden en uitgewezen worden zonder gerechtelijke procedure of een andere aanleiding dan een agent die dacht: “Die zou wel eens een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde”.

En nu?

Natuurlijk is dit verhaal ondertussen al wel even geleden. Wat nu van belang is, is het nieuwe systeem. Deze kwam er als oplossing voor de heuse ‘politieoorlog’. In het vorige Belgische politiesysteem was het namelijk zo dat de drie bevoegde politiediensten niet op dezelfde manier evolueerden of groeiden, waardoor machtsonevenwichten ontstonden. Antoinette Verhagen (professor Criminologie aan de UGent) vertelt: “Er waren overlappende bevoegdheden en taken, waardoor men steeds vaker in elkaars vaarwater kwam en elkaar eigenlijk ook voor de voeten liep. De verschillende politiediensten waren soms zelfs concurrenten en er was sprake van een politieoorlog. Daarbij kwam nog het probleem dat te weinig informatie goed doorstroomde: de verschillende politiediensten brachten elkaar niet op de hoogte van hun bevindingen. Er was een vorm van ‘wij-zij-cultuur’". Oorlog binnen in de ordedienst is natuurlijk best te vermijden. Daarom opteerde de overheid in 1998 voor één geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (federaal en lokaal). De lokale politie staat in voor basispolitiezorg (interventie, recherche, wijkwerking, onthaal, slachtofferbejegening, openbare orde en verkeer), de federale politie staat in voor zone-overschrijdende feiten of meer gespecialiseerde zaken, zoals terrorisme. Beide niveaus ondersteunen elkaar.

In dit nieuwe systeem is er ook een nieuwe hiërarchie van verantwoording bijgekomen. Toezicht wordt over de verschillende niveaus zowel intern als extern uitgeoefend:

De interne vormen van toezicht zijn: 

  • het hiërarchische toezicht: politieambtenaren ‘op de baan’ leggen verantwoording af aan hun hiërarchische meerdere (hoofdinspecteur, commissaris of zelfs korpschef);

  • dienst Intern Toezicht: toezicht door middel van tuchtprocedures per politiezone.

De externe vormen zijn:

  • toezicht door de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie;

  • toezicht door het Comité P: dit is een onafhankelijke toezichtcommissie;

  • strafrechtelijk toezicht (via Openbaar Ministerie en de rechter).

Er is dus een heel systeem dat zichzelf in stand moet houden en dat elkaar moet controleren. Dit is al een heel ander systeem dan in de VS, en een iets beter werkend systeem. Met het Comité P is er ook een volledig onafhankelijk orgaan dat zelf onderzoek doet en rapporten opstelt naar pijnpunten en problemen binnen zowel de federale als de lokale politie. Ook bij ongevallen of zelfs doden bij een politie-interventie wordt er een onderzoek gestart door dit orgaan. 

Er wordt bijna geen onderscheid gemaakt in aanpak bij bijvoorbeeld gevallen van racisme of seksuele intimidatie.

Het Aards Paradijs?

Al het vorige klinkt natuurlijk heel mooi en in elk geval beter dan het Amerikaanse systeem. Maar is dit het uiterste van het mogelijke? Ook bij ons zijn er namelijk problemen. Die problemen zijn te vinden op verschillende vlakken, maar discriminatie steekt er toch wel bovenuit. Uit het jaarverslag van Unia (onafhankelijke openbare instelling voor bestrijding van discriminatie red.) blijkt namelijk dat 62,8 % van de dossiers die te maken hebben met politie en justitie gerelateerd zijn aan ‘raciale’ criteria. Ook uit verschillende rapporten van het Comité P is al gebleken dat er binnen dit domein een aantal zaken scheef zitten. Online kan je alle verschillende rapporten vinden, maar hier gaan we verder in op twee onderwerpen: politiegeweld en het antiracisme- en antidiscriminatiebeleid binnen een diversiteitsbeleidrapport.

Onafhankelijk en genegeerd

Wat opvalt in het onderzoek naar politiegeweld, is dat de agenten in kwestie vaak tijdens hun training al opmerkingen hebben gekregen over impulsief gedrag of het gebruik van dwang en geweld. Dit heeft hen er echter niet van weerhouden toch te slagen voor de opleiding. De meest voorkomende en escalerende situaties over een periode van tien jaar gaan over willekeurige daden, een agressieve houding, slagen en verwondingen, discriminerend gedrag en pesterijen.

Deze situaties leiden vaak tot een proces-verbaal wegens smaad en een klacht tegen een politieambtenaar. In het rapport is het echter niet duidelijk welke het meest worden opgevolgd. 

Het rapport over anti-racisme en discriminatie kwam er naar aanleiding van een hoop getuigenissen in Antwerpen. Hieruit komen toch belangrijke resultaten die bevestigen wat getuigen al veel langer aankaarten. De diversiteitsplannen van de lokale politie zijn voornamelijk op het externe gericht, en niet op het interne. Daar loopt het mis volgens Comité P. In de opleiding en omkadering, bijvoorbeeld, wordt er te algemeen over ‘diversiteit’ gesproken. Er wordt bijna geen onderscheid gemaakt in aanpak bij bijvoorbeeld gevallen van racisme of seksuele intimidatie. Daarenboven is het zo dat, ondanks voornemens in beleidsplannen, het onduidelijk blijft hoe concreet discriminerende en racistische praktijken op de werkvloer daadwerkelijk voorkomen zullen worden en, meer in het bijzonder, hoe de voorbeeldfunctie en actiebereidheid van de leidinggevenden (hoofdinspecteurs en commissarissen) daarin zullen worden aangescherpt. Door dit gebrek aan interne diversiteit is er mogelijks de nadruk op reactief interventiewerk, waarbij men steeds in contact komt met ‘probleemgevallen’ in zogenaamde ‘probleembuurten’. Dit versterkt een eenzijdige en negatieve kijk op diversiteit en kan zich vertalen in vooroordelen, stereotypen en zelfs vormen van etnisch profileren. 

Dat laatste is nog een aparte zaak. Amnesty International heeft hier onderzoek naar gedaan, maar racial profiling is een complex begrip dat zeer moeilijk te onderzoeken valt. “Net zoals bij racisme en discriminatie over het algemeen is er weinig onderzoek en zijn er methodologische moeilijkheden bij dergelijke studies. We kunnen wel kijken naar gerelateerde klachten over politie”, vertelt prof. Verhagen ons. Vormen van discriminatie zijn verboden. Prof Verhagen gaat verder: “Het is net een doelstelling van het politieoptreden dat democratische waarden worden gewaarborgd en beschermd.” Het belangrijkste gevolg van het raciaal of etnisch profileren is het negatieve effect dat dit heeft op de band en het vertrouwen tussen politie en (groepen van) burgers. Dit is zeker problematisch in het kader van community policing, een deel van de werkingsfilosofie achter het Belgische politiefunctioneren, waar het opbouwen van een band met de maatschappij heel belangrijk is.

Het is zo duidelijk dat België sinds 1998 al een heel eind is opgeschoven in de juiste richting, maar het is niet genoeg. Het gevaarlijkste wat men kan doen is rode vlaggen negeren en alles erger laten worden. Laat ons dus maar afsluiten met het feit dat de kritiek op de politie bij ons ook gegrond is, en dat ook wij naar oplossingen zullen moeten zoeken. Nee, het is niet zo erg als in de VS. Nee, dat wordt er ook niet beweerd. Maar er is wel werk aan de winkel.

Meer weten? Hier gebruikte bronnen zijn:

Prof. Antoinette Verhagen en Yinthe Fees (Criminologie)

Rapporten Comité P

Onderzoek van Paul Ponsares

Gemiddeld: 4 (2 stemmen)

Reactie toevoegen