Aan alle zotten

Daar stond ze. Het zwart van haar ogen dichtgeknepen, haar vingertoppen ingebeten, geknaagd. Haar linkerbeen trilt net als altijd. Misschien was dat op dat ogenblik zowat nog het enige dat mijn tante tot mijn ‘echte’ tante behield.

 

Of ze nog iets wil eten, vraagt mijn moeder. “Die is mij daar echt aan het controleren,” antwoordt ze, “Die heeft mij vergiftigd, Sofie. Echt waar.” Ze drukt haar lippen. Mijn moeder zucht. “Is dat zo, Leentje?”, vraagt ze. Mama zit tegenover haar, haar ellebogen op de keukentafel, haar armen gekruist. In haar stem zit iets van verdriet. Waarom nu, waarom? Dat dit überhaupt weer haar leven komt schudden, na zoveel jaren dat het goed leek te gaan met haar zus. “Maar ja, Sofie”, ze wiebelt nog even op haar stoel, kijkt even neer. Zenuwachtig verschuift ze haar blik van links naar rechts, dan weer terug naar ons: “Die spaghettisaus smaakte raar. Echt raar, Sofie: Vake heeft mij willen vergiftigen.” “Maar wat wint hij daaraan Leentje? Vake heeft veel aan jou.”

“Ach Sofie”, zegt ze. Ze leunt naar achteren en neemt haar al minstens honderdste slok spuitwater. Of ze wil dat ik nog een fles ga halen, stel ik voor. Ze staart, maar naar wat weten mama en ik niet goed. In de leegte wellicht. Opgezogen in dat wereldje waar zij nu in zit, en misschien nog voor een hele tijd in zal verblijven. Ze bijt haar onderste lip voor even, en zegt: “Jullie zijn allemaal een spelleke met mij aan het spelen.”

Mijn familie is zowat getroffen door wat medici nu met de term ‘psychosegevoeligheid’ benoemen. Ik heb mijn grootmoeder aan mijn moederskant misschien omwille van deze reden nooit gekend. ‘Schizofreen’, dat zeiden ze toen tegen haar. U weet het misschien niet, maar naar schatting zou bijna 1% van de wereldbevolking minstens eenmaal hieronder lijden. Een volle procent, dat is zeker niet weinig. Veel behandelingsmogelijkheden zijn er eerlijk gezegd niet: amper een tiental jaren geleden was het de gewoonte om deze mensen 'plat te spuiten' met allerlei kalmeermiddelen. Veel andere dingen hadden verpleegkundigen destijds niet voor handen. Mijn mama heeft mij vaak verteld hoe mijn grootmoeder zich door haar medicatie zo muf voelde dat ze daar meestal gewoon stond en niks deed.  Psychofarmaca zijn in deze tijden wel al stukken beter vergeleken met zovele jaren geleden, maar bij ongeveer de helft van de patiënten is het nog steeds zo dat deze er niet in slagen om het ziekteproces te bestrijden.

Ik zeg het weer: 1 %. Iedereen kent wellicht één iemand die er dus mee te maken heeft gehad, van ver of nabij, soms zelfs zonder ervan op de hoogte te zijn. Maar ze zijn er. En helemaal genezen zijn er maar zeer weinig. Ik had de indruk, ook door er met mijn familie over te praten deze kerst, dat er naar psychose op een wat mysterieuze, lugubere en bijna angstaanjagende wijze wordt gekeken, dat het gaat om die ‘rare mensen’. Maar het zijn mensen zoals jij en ik, met dit verschil gewoon dat hun bovenste kamertje wat rommelig is. En het is mijn mening dat dit stereotype de zaken niet helpt, wel integendeel.

Daarom wilde ik dit verhaal vertellen. Over haar. Voor haar, en voor allen die ermee dagelijks geconfronteerd worden. 

Aan alle zotten.

0
Gemiddeld: 5 (2 stemmen)

Reactie toevoegen