De verteller vertelt

Volgende maand verschijnt naar aanleiding van de veertigste verjaardag van ‘Studentenschetsen’ een langverwachte nieuwe druk van Vlaanderens meest obscure cultroman. Voor de gelegenheid heeft auteur en hoogleraar Herman Vincke een nieuw voorwoord geschreven voor zijn eerste en enige boek. Een voorpublicatie.

Deze morgen heb ik in mijn lavabo gepist. Dat schrijf ik niet om met een studentikoos aandoende anekdote bij wijze van captatio benevolentiae al vanaf het begin de sympathie van mijn publiek te winnen. Ten eerste omdat dat debiel zou zijn. Ten tweede omdat, als je dit leest, dierbare lezer, dat betekent dat je allicht mijn boek al gekocht hebt, en ik niet inzie waarom ik nog iets zou moeten toevoegen aan hetgeen de marketingafdeling van de uitgeverij voor mij al zo goed heeft gedaan. Ik heb het ook niet geschreven om mijzelf de air aan te meten van de oudere kunstenaar aan de rand van de maatschappij. Zo een die, ondanks zijn marginale status, toch doorheen de duisternis van zijn armoedig bestaan van de luizen, de onverzorgde baard, het vieze appartement en de lege Carablikjes, het tragische licht van zijn talent laat doorschijnen in een aantal korte experimentele romans. Om vervolgens – ocharme – een vroege dood te sterven. Waarna zijn literaire nalatenschap hoofdzakelijk dient om generaties jongens met baarden en te lang en te vettig haar toe te laten zich in de broek te zeveren van meisjes die aan het KASK studeren om hun ouders te pesten – hoe nobel dergelijk doel ook moge zijn. Neen, ik heb geschreven dat ik in mijn lavabo heb gepist omdat ik in mijn lavabo heb gepist. Je kan dat verbloemen zoveel je wilt, maar als het erop neerkomt heeft een vijfenzestigjarige man met een lichte kater en enkel een overhemd aan zich boven zijn wastafel gemanoeuvreerd, daarbij zijn knie gestoten, godverdomme gemompeld tegen zijn andere zelve – wallen, oudemannenborsthaar, ochtendstoppel, sigaret – aan de overzijde van de spiegel, om vervolgens net genoeg druppels uit te storten om een espressokop van tegenwoordig mee te vullen. Waarmee ik maar heel zijdelings iets wil zeggen over de tearooms – excuus, ‘koffiebars’ – die hier in de stad momenteel in de mode zijn. En het waarom van dat alles? Mijn wc was kapot.

"Het waarom van dat alles? Mijn wc was kapot"

 

Zo prozaïsch kan het leven zijn.

De anekdote van hierboven breng ik met een punt. Voor de gelegenheid van deze paar woorden aan het begin van de nieuwe editie van ‘Studentenschetsen’ heb ik nog eens een vergeeld exemplaar van de eerste druk uit '77 doorbladerd. Godverdomme, wat voor een eersteklas bucht was dat wel niet. Natuurlijk is het onvermijdelijk dat wanneer een schrijver op middelbare leeftijd werk herleest van toen hij nog geen vergevorderde rookrochels ontwikkeld had, hij een zekere huivering niet kan onderdrukken. Maar hier verdien ik echt wel een prijs. Natuurlijk zie ik mijn aantrekkingskracht. De drank. De drugs. De hedonistische feesten. De expliciete seksscenes. Maar de gebreken zijn navenant. De picareske gevatheid van het cynische hoofdpersonage dat vooral diepe onzekerheid moest verbergen. Het episodische karakter dat mijn gebrek aan ideeën voor een deftige plot moest verbergen. Niettemin kunnen de sociaal onaangepaste rotapen in elke nieuwe generatie er niet genoeg van krijgen. Zelfs mijn manuscripten zijn in vraag tegenwoordig. Een aantal jaar geleden vroeg een doctoraatsstudente uit Leiden mij om de ‘papieren’ die ik tijdens het schrijven gebruikt had. Welke papieren? Gewoon. Papieren. Ze wou mij er zelfs voor vergoeden. Dus ik deed wat elke respectabele homme de lettres zou doen in zo’n situatie, en nam mijn prullenbak vast en kribbelde op het eerste beste stuk verfrommeld kladpapier passages uit mijn boek, aangevuld met complete bullshit als ‘Verder opzoeken in het dwaallicht, pg. 116’, ‘Waarom doet hij dit? Voor zijn moeder? Oedipus is gedateerd’, ‘Aimez ceux que vous commandez. Mais sans le leur dire’, et cetera. In één ervan had ik, puur voor de leut, ‘Zuig mijn slappe lul’ in potlood in de marge geschreven, en vervolgens half uitgegomd. Het heeft een week geduurd vooraleer ik werd opgebeld met de vraag wat ik daarmee bedoelde. Twee dagen later kwam ze naar mijn appartement en kwam ze het te weten.

"Twee dagen later kwam ze naar mijn appartement en kwam ze het te weten"

 

Maar ik dwaal af.

Het voornaamste dat mij opviel bij het herlezen van ‘Studentenschetsen’ was de vitaliteit waarmee het indertijd geschreven was. De urgentie. De overtrokken en daarom meer dan terechte gravitas. Het gebeurde allemaal in een waas. Net afgestudeerd en met een broek vol goesting en zelfoverschatting werkte ik het in één zomer af, overtuigd van mijn goddelijk talent en tomeloze ambitie, furieus tikkend op mijn schrijfmachine in de paar uren in de namiddag waarin ik wakker was doorheen nachten vol dronken en gedrogeerde viespeukerij in de cafés van Brussel en de slaapkamers van Amsterdam. Allemaal was het geregeld. Neen, wat zeg ik, gepredestineerd! In een fantastische roman à clef zou ik mijn onthutsende debuut maken, waarin ik zowel pakkend een universele tijdgeest zou vatten, als met de walgelijk lege poseurs van mijn generatie en mijn hippe stedelijke milieu zou afrekenen. Een milieu waarvoor ik – onbegrijpelijk genie voor gewone stervelingen – in al mijn diepe complexiteit evenveel afkeer als aantrekking voelde. Hierop zouden tien jaren volgen waarin ik, ondanks een smachtend publiek, geen enkele roman zou publiceren. Neen, ik zou die jaren doorbrengen in een blokhut in de bossen. Lezen, studeren, experimenteren, filosoferen! De ware aard van het bestaan doorgronden! Net wanneer het Nobelprijscomité alle hoop om mij ooit eens in levende lijve te mogen eren zou opgeven, herrijs ik als de feniks uit zijn as. De volgende tien jaren schenk ik het ene meesterwerk na het andere edelmoedig aan de wereld. Hierop volgt het pensioen. Gezeten aan het hoofd van een lange tafel in het zonovergoten terras van mijn Franse wijngaard overschouw ik, mijn enorme pens immer gehuld in vuilwit marcelleke, tevreden het ravotten van mijn talloze kleinkinderen. De tuinman klaagt bij mij dat twee van mijn kleine jongens schaamteloos de rok van zijn ravissante zeventienjarige dochter hebben opgetild, een heldendaad die ik alleen maar kan belonen met een clandestiene fles wijn en een vette knipoog. Ten slotte zou mijn legende aan zijn einde komen wanneer mijn allerkleinste mij levenloos aantreft tussen de wijnranken. Geveld door wat charlatans van dokters een hartaanval zouden noemen, maar waarin ieder rationeel mens niets anders dan een terechte straffe Gods voor deze nieuwe Icarus zou herkennen. Postuum ziet het koningshuis zijn fouten in en verheft mij in de adelstand. Bovenal zou men mij herinneren voor mijn hartveroverende bescheidenheid.

"Postuum ziet het koningshuis zijn fouten in en verheft mij in de adelstand"

Godverdomme, wat was ik een aansteller.

En dat brengt mij terug naar het heden en de realiteit. Ik heb één B-roman geschreven. Ik ben buitengesmeten aan het unief. Ik ben oud. Ik heb een kater. Mijn knie doet zeer. Ik heb in een lavabo gepist. Het leven geeft je niet altijd wat je ervan verwacht. Je kan dat een platitude van mijn kant noemen, en ik kan jou een onnozele snotaap noemen die wat meer respect moet hebben voor zijn ouderen, maar je ziet zelf wel in dat zo’n stellingenoorlog niemand verder helpt. Het belangrijkste punt is dat mijn boek nog eens gelezen wordt, het voorschot van de uitgever royaal was, en dat ik nog altijd kan doen wat ik doe. Dat gezegd zijnde, merk ik dat het intussen al vier uur in de namiddag is. Wie wil, mag mij een trappist trakteren. Ge vindt mij in het Foefke.

"Je kan het een platitude van mijn kant noemen, en ik kan jou een onnozele snotaap noemen"

Gent, 18 mei 2017

Herman Vincke

0
Gemiddeld: 5 (2 stemmen)

Reactie toevoegen