Brief van de vicerector

Door Freddy Mortier

Liefste Anne,

Het einde is in zicht. Vier jaar geleden ben je verkozen geweest tot rector van onze universiteit. Vier jaar geleden heb je de taak op je genomen om onze alma mater sturing te geven. Vier jaar geleden heb je een belofte gemaakt. Je wist nochtans dat het niet eenvoudig zou zijn. De universiteit is een enorm complex conglomeraat van tegengestelde belangen, kafkaëske bureaucratische structuren en eindeloze vergaderingen van alle soorten werkgroepen, raden, commissies en subcomités die een mens zich kan inbeelden. Om te zwijgen van het politieke getouwtrek op het hoogste niveau. Ik ben geen sentimentele man, Anne. Dat weet je. Maar toch wil ik mijn waardering voor jou uitdrukken.

Laat mij heel eerlijk zijn.

In het begin was ik je liever kwijt dan rijk. Je weet evengoed als ik dat ik mijzelf jarenlang in een positie heb gemanoeuvreerd die mij uiteindelijk zou toelaten de hoogste post te verwerven waar ik zo lang naar verlangde. En ik kwam er zo dicht bij. Het leek op een gegeven moment alsof ik maar mijn hand moest uitreiken en dichtknijpen. Maar het mocht niet zijn. Jij kwam eerste. Ik was tweede. Godverdomme, wat was ik kwaad. Ik? Verloren? Van een tsjeef dan nog? Du jamais vu! En waarom? Door een of ander debiel decreet uit Brussel dat stipuleerde dat er zowel een mannelijke als een vrouwelijke kandidaat moest zijn? Zelfs Napoleon had met zijn aambeien nog een beter excuus waarom hij Waterloo verloren had. Maar neen. Het lot had beschikt dat jij, Anne, en niemand anders, mijn Waterloo zou zijn. De puist op mijn gat. De eerste vergaderingen waren ernaar. Hoe ik die apologetische klootzakken uit Brussel vervloekte die zo nodig hun politieke correctheid moesten etaleren. Ongetwijfeld van hetzelfde slag pipo dat op hun dertigste nog altijd ‘mama’ zegt tegen hun moeder, ostentatief ‘witte man’ gebruikt in plaats van blanke en al eens graag een elektrische tandenborstel in het gat steekt. Ik dacht dat die gedachten privé waren gebleven, maar de blikken op de nieuwjaarsrecepties van de vakgroep Gender en Diversiteit zijn sindsdien nooit meer dezelfde geweest. Maar ik dwaal af.

Mijn punt is, Anne, dat ik je diep ben komen te respecteren gedurende onze samenwerking. De vieze blikken die je van mij te verwerken kreeg. Je immer professionele houding als antwoord. Zelfs tijdens onze ruzies bleef je altijd rationeel je punt verdedigen. En plots begon ik dingen op te merken die voorheen onzichtbaar voor mij waren gebleven. Hoe die ene lok in je haar altijd loskomt van de haarlak. Hoe je sepiaroze mondhoek krult als je fronst bij een moeilijk document. De welving van je benen onder je kokerrok – die benen! Die benen! Beschavingen bloeien en vallen en die benen zullen nog altijd een eeuwigdurend testament aan de menselijke schoonheid blijven. En ook jij voelde een verandering. Je vinger die net iets te lang op mijn duim bleef rusten toen ik je gevallen pen teruggaf. Ik ben geen sentimentele man, Anne, dat weet je, maar weet je hoe ze in de films slaande ruzie hebben, steeds dichter naar elkaar toe schreeuwen en plots elkaar binnendraaien dat het geen naam heeft? Dat heb ik altijd bullshit gevonden. Dat vind ik nog altijd. Maar het is toch maar mooi wat er gebeurd is. De passie! Het verborgen vuur dat tussen jouw lendenen schemerde en geduldig zijn tijd afwachtte om op te flakkeren tot een wereldbrand! Ik had er geen flauw benul van. Herinner je dat we een betekenisvolle grijns naar elkaar wierpen toen dat ene rechtse stuvertje een gedegouteerde blik wierp op die vreemde natte vlek op zijn plaats aan de vergadertafel van de raad van bestuur? We zwoeren ons geheim met niemand te delen. We wisten dat er nooit veel van ging komen. We deden het toch. Samen. En nu zijn de vier jaar bijna voorbij. Je was een fantastische rector, Anne. Laat niemand je anders vertellen. Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn in een andere tijd, een andere context, een andere …

Maar ik ben geen sentimentele man, Anne.

Dat weet je.

Liefs,

Freddy

0
Gemiddeld: 5 (2 stemmen)

Reactie toevoegen