Generatie Gisteren

Elke maand werpt een oud-hoogleraar van de universiteit zijn of haar licht op de meest beloftevolle jonge Vlaamse leeuwen uit het culturele veld. Want jong geweld en de oude garde hebben vaak meer gemeen dan ze zouden toegeven. Deze week: Lize Spit.

De reputatie van buitengewoon hoogleraar Vroegmoderne Engelse Letterkunde Herman Vincke berust grotendeels op zijn inzichten in de letteren van de vroege zeventiende eeuw, maar een vakidioot is de man nooit geweest. De veelbesproken professor is namelijk ook een bekend figuur in hedendaagse literaire kringen. Dat heeft de man te danken aan de ene roman die hij schreef begin jaren zeventig. Die eeuwige bevlogenheid blijkt wanneer de deur openvliegt net als we willen aanbellen: “Ah, maat! Ge hebt uw vest al aan. Ideaal. Kom, we gaan een druppel pakken. Storm op zee, vliegt de blauwvoet, gelijk dat de klakskes zeggen. (geluid van bord dat tegen de deur uit elkaar kletst) Niet op letten, maatje. Weet ge, het is geen geheim dat ik een groot liefhebber ben van het theater. Van taal. Van tekst. Van het kunnen van het menselijk lichaam. Kortom, van kunst, godverdomme. ‘k Heb gans mijn carrière aan kunst gewijd. Aan alle vormen ervan, want alsof een man niet van verschillende dingen tegelijk kan houden. Een man houdt van alles totdat de rechter zegt dat het niet mag. Maar probeer dat eens aan a woman scorned uit te leggen. Een zeer wijze vent, die Shakespeare. Want begrip tonen, ziet ge, is het belangrijkste dat je kan doen als mens voor de ander. Onthoud dat, jongen. (steekt sigaret op) Als dus een stagiaire van NTGent vraagt om mij te interviewen, en het was net uit met haar vriendje, wie was ik dan om neen te zeggen? (vaas vliegt met een luide bons tegen het venster; gedempt schreien achter de gevel) Bon. We gaan best eens voor dat druppelke kijken.”

Mulisch en Reve

“Een koffie? Allez maat, hebt ge nu nog niks geleerd? Al die cafeïne is niet goed. Hah. Ziet uw gezicht. Ik ben u maar aan het kloten, ventje. (steekt sigaret op) Maar serieus. ‘k Ben nog content dat ge een gewone koffie hebt besteld. Zie de rest hier zitten. Achter hun witte computers, met een latte of een mokka of een andere chocomelk. Aan hun debuut aan het werken, ongetwijfeld. ’t Is hun gegund. Ik was vroeger ook een grote dommekloot vol pretentie. Wat ons meteen bij Lize Spit brengt. Begrijp me niet verkeerd. Ze is niet slecht. Ze heeft het soort roman geschreven dat in een betere wereld een perfect acceptabel boek geweest zou zijn, maar dankzij de onmetelijke domheid van onze tijd verheven wordt tot de grootste romansensatie van het jaar. Quod non, om het eens niet op kleuterniveau te zeggen. Wat ik mis, is de polemiek. Waar is de modder? Het boelzoeken? De tijd van Mulisch die Reve een achterlijke aap noemde? Waarom schrijft niemand dat haar boek vol met typefouten staat? Dat de zinnen vaak stroever zijn opgebouwd dan mijn erectie? Dat de taal noch overtuigend Vlaams, noch Hollands is? Dat de plotwending op het einde van plastiek is? Toen ik net mijn roman uithad, was het dik spel met een oude studiemaat, Jean-Marie Berckmans. Ik schreef in De Gids een eloquent stuk van twintig pagina’s waarin ik middels allerhande literaire, ethische en esthetische argumenten zijn nieuwste werk besprak, om op het einde te concluderen dat het allemaal dikke kak was van een nog dikkere marginaal. En als ik Berckmans dan op straat tegenkwam, repliceerde hij door een blik Carapils naar mijn hoofd te smijten. En zo was het goed. Maar ik begrijp ze wel, hoor, die jonge schrijvers. Die Lize Spit. Een zeer knappe trees in beide betekenissen van het woord. Ik zou ook op haar afstappen en zeggen hoe goed ik haar boek vond, ook al had ik de helft overgeslagen. (nipt van pint) Neen, het komt wel goed met die letteren, jongen. Het komt wel goed."

0
Gemiddeld: 5 (3 stemmen)

Reactie toevoegen