Net voor de paasvakantie, op 2 april, gaf Nathan Cofnas een lezing georganiseerd door de studentenvereniging KVHV. Wat vertelde hij daar allemaal? Was dat allemaal wel waar? Twee willekeurige standpunten die door de omstreden wetenschapsfilosoof werden ingenomen worden hier gefactcheckt.
Dit artikel bouwt verder op een eerder artikel. Lees het hier.
4. Zorgt de zogenaamde race gap ervoor dat Afro-Amerikanen oververtegenwoordigd zijn in Amerikaanse gevangenissen?
Uit de volgens Cofnas "stabiele kloof in het gemiddelde IQ" tussen witte Amerikanen en Afro-Amerikanen zou volgen dat zwarte mensen genetisch bepaald zijn om proportioneel meer misdrijven te plegen dan witte Amerikanen. Dat zou volgens Cofnas zelfs zo zijn indien maatschappelijke factoren, zoals socio-economische positie, geen enkele rol zouden spelen. Dat betoogde de zelfverklaarde 'rassenrealist' tijdens zijn lezing. Zonder bewijs voor te leggen beargumenteerde hij deze claim door te verwijzen naar de negatieve correlatie tussen IQ en misdaadcijfers. Hoewel deze correlatie al veelvuldig is onderzocht, is de realiteit complexer dan Cofnas ze voorstelt.
Verschillende academische studies tonen inderdaad aan dat personen met een lage intelligentie disproportioneel vaak in de gevangenis belanden. Hieruit kan je echter niet simpelweg afleiden dat Afro-Amerikanen gemiddeld genomen meer misdaad plegen omdat ze gemiddeld minder intelligent zijn. Zo klopt Cofnas’ stelling dat er sinds de jaren 1970 een stabiele intelligentiekloof van 15 IQ-punten bestaat tussen zwarte en witte Amerikanen niet. Flynn en Dickens beargumenteerden in 2006 dat zwarte mensen sinds de jaren ‘70 met meerdere IQ-punten zijn opgeschoven naar het witte gemiddelde. Bijgevolg blijkt dat omgevingsfactoren wel degelijk het gemiddelde IQ van een bepaalde groep kunnen beïnvloeden. Dat haalden we in de factchecking van de vorige standpunten reeds aan.
De invloed van omgevingsfactoren speelt ook een rol in de negatieve correlatie tussen het gemiddelde IQ van een groep en de aanwezigheid van die groep in de misdaadstatistieken. Meerdere studies zien een laag IQ als een voorspeller van crimineel gedrag, maar over het precieze verband bestaat veel discussie. Zo stellen sommige onderzoekers de sterkte of de lineariteit van dit verband in vraag. Bovendien bestaan er volgens James Freeman (2012) veel factoren die het onderzoek naar IQ en misdaad verstoren. Zo rijst bijvoorbeeld de vraag of minder intelligente mensen niet sneller gearresteerd worden dan intelligentere criminelen. Op macroniveau duiden wetenschappers echter vooral sociale omgevingsfactoren zoals armoede, de werkloosheidsgraad of iemands sociale omgeving aan als oorzaken die het verschil in misdaadcijfers tussen verschillende groepen verklaren, zo stellen Beaver en Wright (2011). Gemiddeld gezien zijn uitgerekend Afro-Amerikanen namelijk (kans)armer of sneller werkloos. In de wijken waar ze wonen komen ze bovendien sneller in contact met criminelen.
Het feit dat Afro-Amerikanen vaker in de gevangenis belanden, is dus zeker niet louter te wijten aan een lager IQ. Cofnas ziet over het hoofd dat penibele omgevingsfactoren ook iemands kans om in de criminaliteit te belanden verhogen. Het klopt dat minder intelligente mensen oververtegenwoordigd zijn in misdaadcijfers, maar IQ wordt ook bepaald door sociale omgevingsfactoren. Die factoren, en niet (enkel) genetica, zouden ervoor kunnen zorgen dat zwarte Amerikanen lager scoren op IQ-tests en sneller worden opgesloten.
5. Rindermann et al. survey
Tijdens zijn presentatie haalde Cofnas de expert survey Rindermann et al. (2020) aan, een enquête afgenomen bij tal van experts in het onderzoek naar intelligentie. Deze studie zou volgens hem bewijzen dat er onder academici wel degelijk een consensus is dat intelligentie en ras verbonden zijn. Zoals iemand uit het publiek echter opmerkte, kon de expert survey op dit vlak niet zomaar geloofd worden: op deze specifieke vraag antwoordde immers slechts 6,4% van de bevraagden. Bij een responsgraad van 6,4% is selectiebias structureel oncontroleerbaar: je weet simpelweg niet wie er niet antwoordde en waarom. Binnen het onderzoeksdomein van het intelligentieonderzoek bestaan er overigens surveys met aanzienlijk hogere responsgraden dan de studies die Cofnas aanhaalde, zoals Reeve & Charles (2008) met zo'n 38,3%. De 6,4% van Rindermann et al. (2020) is dus niet de norm, maar een uitschieter.
Daarnaast bestond er onder de experts die wél antwoordden geen consensus over de oorzaak van het IQ-verschil tussen witte en zwarte Amerikanen: ongeveer 51% schreef het verschil eerder toe aan omgevingsfactoren dan aan genetische factoren.
Cofnas verdedigde zich hiertegen door te stellen dat ook bij vergelijkbare studies over klimaatverandering slechts een vergelijkbaar percentage experts antwoordde. Betekent dat dan ook dat klimaatverandering niet echt is? Daar heeft Cofnas natuurlijk een punt: er bestaan inderdaad expert surveys over klimaatverandering met een lage responsgraad. Toch vormen die eerder de uitzondering. Er zijn namelijk ook verschillende expert surveys over klimaatverandering waarop wél veel experts reageerden, zoals de studie van Doran en Zimmerman (2009), die een responsgraad van 30,7% behaalde. Cofnas vergelijkt de studie die hij aanhaalde dus met de zwakste voorbeelden uit het klimaatonderzoek — en dat is geen eerlijke vergelijking.





Reactie toevoegen