Net voor de paasvakantie, op 2 april, gaf Nathan Cofnas een lezing georganiseerd door de studentenvereniging KVHV. Wat vertelde hij daar allemaal? Was dat allemaal wel waar? Drie willekeurige standpunten die door de omstreden wetenschapsfilosoof werden ingenomen worden hier gefactcheckt.
1. De Cold Winter Theory
Een van de theorieën die Cofnas verdedigde in zijn lezing, was de zogenaamde "Cold Winter Theory". De centrale these van deze theorie is dat koude winters een specifieke druk met zich meebrengen die leidt tot evolutionaire selectie op intelligentie. Aangezien het moeilijker is om jezelf warm te houden en eten te vinden in koudere klimaten, hebben mensen met een hogere intelligentie volgens deze theorie een evolutionair voordeel. Zij zullen meer kans hebben om te overleven en nageslacht voort te brengen. Populaties die overleven in koudere klimaten zullen dus na verloop van tijd slimmer worden. Volgens deze theorie vinden we het hoogste IQ bij mensen met Europese of Aziatische afkomst. Argumenten die hiervoor worden aangehaald zijn dat het moeilijker zou zijn om te jagen in de graslanden van Eurazië dan in Afrika, aangezien graslanden minder beschutting zouden bieden. Dit staat in contrast met de wetenschappelijke consensus dat de mens op de Afrikaanse savannes geëvolueerd is, die ook zeer weinig beschutting bieden.
Een ander argument is dat het een grotere uitdaging is om vuur te maken en zich te kleden en beschutting te vinden in een kouder klimaat. Hoewel dit een realistische veronderstelling is, bestaat er geen bewijs dat een hogere intelligentie vereist is om deze taken tot een goed einde te brengen. Zo leefden Neanderthalers lange tijd in koude klimaten, terwijl deze minder gesofisticeerde cultuur toonden en minder capaciteiten voor innovatie hadden. De homo sapiens die evolueerde in tropisch Afrika toonde daarentegen een grotere intelligentie en cognitieve complexiteit. De Cold Winter Theory verklaart dus niet waarom er bij de hominiden in Afrika een hogere intelligentie en complexiteit gevonden wordt. Ook is er geen concreet wetenschappelijk bewijs voor de stelling dat overleven in koudere klimaten een hogere intelligentie vraagt.
Deze stelling is ook behoorlijk controversieel, vanuit wetenschappelijke hoek is er allerminst consensus over. Vooral aanhangers van het "rassenrealisme" staan erachter, onder andere Cofnas zelf, Richard Lynn, Donald Templer en Satoshi Kanazawa. Richard Lynn wordt over het algemeen gezien als de founding father van de theorie, ook in de kringen van het rassenrealisme. Hij kwam al onder vuur te liggen nadat uit onderzoek van professor Jelte Wicherts bleek dat hij datasets had vervalst bij het maken van een IQ-wereldkaart, waarbij hij de variaties in IQ tussen landen wilde aantonen. Ook deed hij controversiële uitspraken in interviews, onder andere over de voordelen van raciale segregatie, waarbij hij argumenteerde om de VS op te splitsen in raciaal homogene staten, en over de nadelen van migratie.
Opvallend was dat Cofnas tijdens de lezing zelf afstand nam van Lynn wanneer hij ernaar gevraagd werd. Hij stelde dat de theorie dateert van voor Lynn en dat hij zelf meermaals kritiek heeft geuit op Lynn als een pseudowetenschapper. Ook online nam Cofnas al afstand van Lynn, meer specifiek nadat uitkwam dat zijn methodologie niet wetenschappelijk correct was. Desondanks refereert hij aan Lynn in meerdere tweets en academische publicaties om zijn stellingen over Joods IQ te ondersteunen.
2. Satoshi Kanazawa
Toen Cofnas uiteindelijk wél de vraag beantwoordde over welke academische figuren nog een aanhanger zouden zijn van de Cold Winter Theory, vernoemde hij Satoshi Kanazawa. Wie is Satoshi Kanazawa en wat voor een wetenschappelijke reputatie heeft hij?
Kanazawa is een Brits-Amerikaanse academicus die aan de London School of Economics and Political Science werkt. Hij is net als Cofnas een rassenwetenschapper en evolutionair psycholoog, en zoals blijkt uit Cofnas' oude posts op X, een figuur die Cofnas' eigen ideeën beïnvloed heeft. Zo blijkt uit een post uit 2018 dat Kanazawa zijn referentiepunt was op vlak van zijn theorieën rond Joodse IQ, daarnaast postte Cofnas meermaals over Kanazawa en zijn werken.
Kanazawa stelt in zijn eigen theorie, die vast wel op de bovenstaande Cold Winter Theory lijkt, dat de voorouders van Euraziërs tijdens hun evolutionaire tocht uit de Afrikaanse savannes omgevingen tegenkwamen die evolutionair selecteerden voor hogere intelligentie. Hierbij paste Kanazawa de stelling van Pythagoras toe om geografische afstanden in Afrika te berekenen, waarmee hij ervan uitgaat dat de aarde plat is aangezien de geometrische stelling enkel van toepassing is op platte oppervlaktes. Kanazawa stelt hiernaast nog vast dat het gemeten IQ van hedendaagse Australiërs, Zuid- en Noord-Amerikanen representatief is van de inheemse bevolkingen waarmee er geen genetisch verband meer bestaat.
Kanazawa is naast aanhanger van de achterhaalde Cold Winter Theory ook auteur van zijn eigen pseudo-wetenschappelijke en controversiële onderzoek. Hij voerde enerzijds in 2011 onderzoek naar waarom Afrikaanse vrouwen minder aantrekkelijk zouden zijn dan andere vrouwen, en stelde dat Sub-Sahara-Afrikaanse landen lijden aan ziektes en chronische armoede vanwege hun, volgens Kanazawa, lage IQ. Door de controverse die zijn publicaties en uitspraken veroorzaakten, werd Kanazawa in 2011 ontslagen als schrijver voor het wetenschappelijk tijdschrift Psychology Today en verbiedt zijn werkgever hem om voor non-peer-reviewed tijdschriften te schrijven voor een periode van 12 maanden.
In zijn onderzoek naar de aantrekkelijkheid van Afrikaanse vrouwen, onderzocht hij bijvoorbeeld niet waarom Afrikaanse vrouwen als minder aantrekkelijk zouden gepercipieerd worden. Het onderzoek, dat beweerde objectieve data weer te geven, bestond uit bevindingen gebaseerd op de meningen van de respondenten, waarvan hij de sample size niet weergaf.
Er kwam snel kritiek op zijn onderzoek vanuit de academische wereld. In 2011 tekenden 68 evolutionair gedragswetenschappers een open brief waarin ze stelden dat Kanazawa's werk het vakgebied niet vertegenwoordigde. In de brief stellen de academici dat Kanazawa al bekritiseerd werd door andere onderzoekers in zijn eigen onderzoeksdomein omwille van zijn ongepaste statistische methoden en slechte datakwaliteit. Hij werd daarnaast ook verweten consistent alternatieve verklaringen terzijde te laten.
De tegenargumenten en kritiek tegen het pseudo-wetenschappelijk werk van Kanazawa stoppen daar niet bij. In 2007 herbekeek statisticus Andrew Gelman de data die Kanazawa gebruikte om zijn stelling dat "aantrekkelijke mensen vaker dochters hebben" te staven en concludeerde hij dat de data Kanazawa's stelling niet bewezen. De auteurs van de open brief verwijten Kanazawa ook het feit dat hij zelden reageert op kritiek. Hij engageert volgens de critici niet met tegenargumenten.
3. De race gap en de environmental explanation
In zijn lezing bekritiseerde Cofnas de zogenaamde environmental explanation, (dat is een stelling die beweert dat IQ-verschillen verklaard kunnen worden door omgevingsfactoren), om zijn pseudo-wetenschappelijk argument over het vermeende verband tussen omgevingsfactoren en intelligentie te onderbouwen. "But some of these adaptations may be cognitive, they have to do with intelligence or personality traits", aldus Cofnas.
De bewering dat verschillen in IQ-scores tussen bevolkingsgroepen vooral het resultaat zijn van genetische "cognitieve adaptaties" is een kernpunt in Cofnas' zelfverklaarde "hereditarianism". Echter, deze positie mist volgens wetenschappelijke analyses solide ondersteuning in de huidige data. Een fundamenteel probleem bij deze claim is het negeren van de kwalitatieve verschillen in de leefomgeving, ook wel "X-factors" genoemd. In tegenstelling tot wat Cofnas suggereert, zijn de omgevingen van verschillende groepen in bijvoorbeeld de VS niet simpelweg variaties van elkaar; ze zijn fundamenteel onvergelijkbaar door de alomtegenwoordige invloed van racisme. Onderzoek naar het "stereotype threat" fenomeen laat zien dat ogenschijnlijk triviale omgevingsfactoren, zoals het benoemen van ras voor een test, de prestaties van zwarte studenten aanzienlijk kunnen onderdrukken zonder de scores van witte studenten te beïnvloeden. Dit toont aan dat omgevingsinvloeden zeer specifiek en krachtig kunnen werken op één groep, wat een puur genetische verklaring voor scoreverschillen overbodig maakt.
Wat de veronderstelde genetische basis voor deze "adaptaties" betreft, wijzen de bronnen op een aanzienlijk gebrek aan bewijs: er zijn vrijwel geen specifieke genen geïdentificeerd die een significante impact hebben op IQ-scores. Het poneren van systematische genetische verschillen tussen groepen is daarom niet plausibeler dan het aanwijzen van complexe omgevingsverschillen, vooral omdat we van de omgeving wél weten dat deze prestaties direct beïnvloedt, terwijl we van de genen in deze context voorlopig weinig tot niets weten.
Ten slotte waarschuwen experts voor "overinterpretatie" door wetenschappers die heritabiliteitscoëfficiënten (d.w.z. erfelijkheid binnen een groep) ten onrechte gebruiken om verschillen tussen groepen te verklaren. Hoewel gedragsgenetisch onderzoek aantoont dat IQ een genetische component heeft, zijn deze bevindingen altijd "lokaal" en beperkt tot de specifieke populatie en omgeving waarin ze zijn gemeten. Het ongeoorloofd vergelijken van deze cijfers tussen groepen wordt door critici zoals Aaron Panofsky omschreven als "science behaving badly", waarbij wetenschap en ideologie gevaarlijk vermengd raken. Het blijft een feit dat de effecten van historisch en huidig racisme zo diepgaand en veelzijdig zijn dat het generaties kan duren voordat de volledige omgevingsimpact op cognitieve prestaties geëlimineerd is, wat elke voortijdige conclusie over "genetische adaptaties" wetenschappelijk problematisch maakt.





Reactie toevoegen