Allemaal bijtjes
- editie
- 516
- categorie
- natuurwetenschappen
Einstein zou ooit gezegd hebben dat als de bijen sterven, de mens vier jaar later volgt. Deze uitspraak is onrechtmatig aan hem toegeschreven — wat wist hij nu? —, maar dat betekent niet dat er geen waarheid in zit. Bijen zijn belangrijk, ook in Gent.


De laatste jaren geven bijen in massale getale de pijp aan Maarten. Bijna de helft van de honingbijvolken sterft jaarlijks. Er zijn allerlei oorzaken aan te wijzen. De hoofdoorzaak is een regelrechte hongersnood. Door monocultuur in de landbouw en overgereguleerde tuinen en bermen zijn er te weinig bloemen en een te kleine variatie aan bloemen. Daarnaast tast de varoamijt (varroa destructor) bijenvolken sterk aan. De jonge mijten van deze hardnekkige parasiet voeden zich met de larven van de honingbij. Deze larven groeien dan uit tot zwakkere of misvormde bijen. Ook infecties, pesticiden, andere parasieten en algemene milieuvervuiling spelen een rol in de sterke achteruitgang van bijen. Een groep bijensoorten, passend ‘koekoekbijen’ gedoopt, parasiteert zelf op andere bijen doordat hun larven het voedsel van andere bijenlarven opeten.
In de stad spelen nog andere factoren mee. Er is sprake van nog meer habitatversnippering. De maximale overbrugbare foerageerafstand van solitaire bijen varieert immers tussen enkele honderden meters en een kilometer, naargelang de soort. Honingbijen hebben daarentegen een actieradius van enkele kilometers en doen het in steden niet slechter dan op het platteland. De nestmogelijkheden voor solitaire bijen zijn ook veel beperkter in de stad dan elders. Solitaire bijen zijn nochtans minstens even belangrijk voor het ecosysteem als honingbijen, want ze zijn veel betere bestuivers dan honingbijen.
Bijzondere onderzoeken
Wetenschappers nemen zulke ontwikkelingen natuurlijk serieus. Bijen zijn zoals bekend noodzakelijk voor talloze plantensoorten en voor een groot deel van onze voedselproductie: vijftien tot dertig procent hangt rechtstreeks af van bestuivers zoals de bij. Vermits bijen nodig zijn voor het overleven van hun eigen voedsel is er sprake van een wel bijzonder negatieve spiraal. Ook aan de UGent en de rest van Gent lopen verschillende projecten en onderzoeken om deze veranderingen in kaart te brengen en het tij te doen keren.
Het Laboratorium voor Zoöfysiologie heeft de voorbije jaren verscheidene onderzoeken gedaan. Een daarvan is het solitaire bijenproject onder leiding van toenmalig doctoraatsstudent Dries Laget. Dit onderzoek poogde de populaties van de verschillende wilde bijensoorten in het Gentse in kaart te brengen. Dat deden ze door nestkastjes te verspreiden en vervolgens de nestende bijen te observeren. Deze nestkastjes werden op maat gemaakt voor de verschillende soorten solitaire bijen die nestelen in natuurlijke houtholtes, murengaten, enzovoort. Om dit na te bootsen werden de nestkastjes gebouwd met buisjes met een diameter van twee tot twaalf mm. Tussen die twee extremen in liggen de groottes die verkozen worden door de verschillende bijensoorten. Ongeveer een derde van de solitaire bijen nestelt op deze manier, het grootste deel daarentegen graaft zelf holtes ondergronds. Die soorten konden met dit onderzoek niet in kaart worden gebracht. Ook heeft het Labo voor Zoöfysiologie het Informatiecentrum voor bijenteelt opgericht. Dit centrum bestaat al meer dan dertig jaar en staat tegenwoordig onder leiding van professor Dirk de Graaf. Op basis van de onderzoeken aan de universiteit van Tübingen stelden ze een zaadmengsel samen waarvan de bloemen achtereenvolgens van april tot oktober bloeien. Door dit mengsel te gebruiken, vallen de bijen dus nooit zonder voedsel. Een laatste project van het Labo voor Zoöfysiologie, Beekeeping for Poverty Alleviation, staat onder leiding van prof. Frans Jacobs. Dit project leert studenten uit ontwikkelingslanden hoe honingbijen te houden en hoe de bijenproducten — naast honing leveren bijen onder andere was en koninginnengelei — te gebruiken en te verspreiden.
Verbijsterende projecten
Ook de stad draagt zijn steentje bij. De groendienst en Natuurpunt Gent houden rekening met de beestjes. Bij het onderhoud van parken, natuurgebieden en groene ruimtes worden geen pesticiden gebruikt. Bovendien houden ze rekening met bloeitijden in het maaibeheer. Ook worden nestelplaatsen gevormd door delen van rietkragen niet te maaien. Aan de Blaarmeersen en in de Bourgoyen staan zelfs regelrechte beestenmuren om de bijtjes te ondersteunen.
Als er ook maar één reden is om de bijen te redden — naast de overduidelijke ‘anders gaan we allemaal dood’ — is het wel de honing. Het zijn de imkers die ervoor zorgen dat die honing uit de bijenkasten en in onze voorraadkasten belandt. De toenemende bijensterfte van de laatste jaren maakt deze meestal als hobby uitgeoefende activiteit alleen maar moeilijker. Dat houdt de imkers niet tegen. De Gentse Imkervereniging vzw organiseert zo op 19 mei een initiatiedag voor niet-imkers aan de Sterre. Daarnaast ondersteunen ze beginnende imkers. Ze verhuren bijvoorbeeld bijenvolken aan beginners zodat ze erachter kunnen komen of bijen houden iets voor hen is zonder grote materiaalinvesteringen.
Dat bijen houden in de stad kan, bewijzen Liesbeth Hiele en haar man Marijn Rabaut van Apicula, Latijn voor bijtje natuurlijk. Deze hobbyimkers hebben al vier jaar bijenkasten in Gent. Vorig jaar oogstte Apicula ongeveer 150 kilo stadshoning en had ze twaalf kasten op vijf locaties, waarvan twee op het dak van de Vooruit. Nu zijn dat er tien. “Dat is een normale wintersterfte”, weet Liesbeth ons te vertellen. “Sowieso heb je tijdens de winter een aantal bijenvolken die je verliest. Als je tussen tien en dertig procent sterfte hebt, is dat normaal.” Sterke bijenvolken kunnen bovendien gesplitst worden om zwermen te voorkomen. Zwermen nemen namelijk veel honing met zich mee om een nieuwe kolonie te starten. Wil de imker ze behouden, dan moet hij of zij erachteraan. Daarnaast kunnen zwakke volken samengevoegd worden om ze te versterken. Binnenkort oogst Apicula de eerste honing van dit jaar. Door het slechte weer dit voorjaar verwachten ze er wel niet veel van. “Ik denk dat we bijna niets zullen hebben. De tweede oogst loopt in juli. Hopelijk blijft het dan mooi weer”, hoopt Liesbeth. Stadshoning verschilt in essentie niet van plattelandshoning, de smaak is enkel afhankelijk van welke bloemen de bijen vinden. Voor de bijenkasten op de Vooruit bijvoorbeeld betekent dit een sterke kastanjesmaak.
Bij je thuis
Zelf de bijenpopulatie in stand helpen houden kan ook. Daarvoor hoef je niet zelf imker te worden, enkele aanpassingen in je achtertuin zijn voldoende. Een geschikte florakeuze ligt voor de hand. Het reeds genoemde zaadmengsel ontwikkeld door het Informatiecentrum voor bijenteelt is natuurlijk ideaal, maar simpelweg veel bloemen plaatsen is al een stap in de goede richting. Pesticiden zijn ook sowieso te vermijden. Als je nog een stapje verder wilt gaan, kan je ook nestgelegenheid bouwen voor solitaire bijen. Stapel bijvoorbeeld holle plantenstengels zoals riet of bamboe, maak er een leuk dakje boven en richt dat bijenhotelletje vervolgens naar het zuiden, liefst op een windstille plaats. Je kan hetzelfde effect bekomen door gangetjes te boren in een blok hout.
