De publicatieproblematiek in de alfawetenschappen
Publish or perish, dat is het bekende motto van academische onderzoekers. Maar waarom is dat publiceren zo problematisch, vooral in de alfawetenschappen? In dit tweede deel zetten we twee ervaren onderzoekers tegenover elkaar: Jan Dumolyn, een kritische alfaprof en Guy Smagghe, bètaprof.

Voor deze editie spraken we met professor Guy Smagghe van de vakgroep Gewasbescherming en kort met professor Jan Dumolyn van de vakgroep Geschiedenis. Professor Smagghe zetelt in de Onderzoeksraad, het adviserende orgaan van de UGent dat zich buigt over de financiering en kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek aan onze alma mater. Professor Dumolyn is afgevaardigde van de onderwijsvakbond ACOD. De eerste ziet de extra injectie voor de alfawetenschappen als een significante duw in de rug, de laatste “eerder als symptoombestrijding dan een fundamentele oplossing”. Beiden zitten al even in het academische milieu, maar hebben duidelijk een andere visie op de publicatieproblematiek.
Professor Dumolyn
Wat is er al concreet bekend over de academische werkdruk in Vlaanderen?
“Er is een studie van ECOOM (Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring van de Vlaamse Gemeenschap, n.v.d.r.) waaruit blijkt dat proffen gemiddeld tussen de 52 en 59 uur per week werken. Dat komt door de publicatiedruk, maar ook door de hoge administratieve overlast. De druk neemt toe doordat je steeds meer moet gaan ‘scoren’ om je directe concurrenten bij te benen, zeker bij postdocs en ZAP’ers (Zelfstandig Academisch Personeel, n.v.d.r.). Het is geen toeval dat vooral jonge vrouwen in deze machocultuur afhaken terwijl ze vaak veel meer talenten hebben dan sommige mannelijke concurrenten. Een studie van het Centrum voor Genderstudies onder leiding van Hanneke Pyck toont aan dat er aan de UGent recent nog minder vrouwen docent worden dan voorheen het geval was. Hetzelfde voor jonge vaders. Een gezinsleven combineren met die publicatiedruk is eigenlijk onmogelijk.”
“Bijna nergens ter wereld wordt zoveel druk op onderzoekers gelegd als in Vlaanderen. België staat op de tweede plaats na Zwitserland qua output per academicus. We zijn echter op een punt gekomen waarbij het systeem er blijkbaar van uitgaat dat we zonder deze kwantitatieve stok achter de deur allemaal in een hangmat zouden gaan liggen en als vastbenoemde niets meer zouden doen. In extreme gevallen gaan onderzoekers daardoor zelf hun resultaten vervalsen of uit hun duim zuigen, zoals in het geval van Diederik Stapel, een frauderende hoogleraar sociale psychologie in Nederland. Maar de overgrote meerderheid van de academici zijn ethische mensen die gewoon steeds harder moeten werken.”
Onderzoek is natuurlijk maar een van de drie zogeheten pijlers. Lijdt dienstverlening onder het systeem?
“Publieke dienstverlening onder de vorm van deelname aan publieke debatten, opiniestukken en dergelijke lijdt natuurlijk ook onder de druk om enkel in het Engels in gespecialiseerde vaktijdschriften te schrijven voor een paar honderd collega’s op de wereld die met hetzelfde bezig zijn. Academici mogen vandaag geen publieke intellectuelen meer zijn of een maatschappelijk engagement opnemen. Wie dat wel doet, schiet in eigen voet. Dienstverlening is natuurlijk moeilijk te kwantificeren. Nu, de laatste jaren beseffen ook bijvoorbeeld onze rector en onze academisch beheerder Koen Goethals dat er ook wat meer kwalitatief moet worden nagedacht, bijvoorbeeld door een evaluatie te vragen van een onderzoeksgroep of vorser door een commissie van gerenommeerde internationale vakspecialisten.”
Professor Smagghe
In hoeveel tijdschriften kunt u publiceren? Vindt u uw publicatiekansen fair tegenover sommige alfa’s?
“Ik publiceer in tijdschriften van fysiologie, ecologie, moleculaire biologie en dergelijke. We spreken toch snel over een potentieel van 150 à 200 tijdschriften, niet noodzakelijk hoog gerangschikt. Maar het aantal tijdschriften staat niet in relatie tot de kans om te publiceren. Van de 200 tijdschriften zijn er misschien een tiental in de top van mijn vakgebied en daar publiceer ik het meeste in. In feite heb je aan twee tijdschriften genoeg. Met mijn onderzoeksgroep van vijfentwintig mensen hebben we dit jaar dertig publicaties uitgebracht. Dat is dus iets meer dan één publicatie per persoon (maar zo wordt het niet geteld, n.v.d.r.). Als onderzoeker kan je, met je eigen handen, ook niet meer dan één à twee verhalen per jaar publiceren, tenzij je gaat verknippen.”
“Ikzelf ben altijd in veel invalshoeken geïnteresseerd geweest en dat biedt natuurlijk perspectieven voor samenwerkingen. Onlangs heb ik nog een mooi project afgewerkt met iemand uit de microbiologie, waarbij we een raakpunt vonden in onze beide specialismen. Zo heb je ook onmiddellijk verschillende vakgebieden waarin je kan publiceren. Tegenover de alfawetenschappen is het voor ons misschien gemakkelijker om ons verhaal te maken. Je vindt meer raakpunten –- maar dat hangt ook deels af van hoe multidisciplinair je denkt. Je maakt vrij zelden mee dat iemand uit de rechtsgeleerdheid samenwerkt met iemand uit de psychologie of de letterkunde. Die cultuur is er nog niet.”
“Nu, een insect Latijn laten praten kan ik niet”
Was het vroeger anders?
“Ik ben afgestudeerd in 1991 en ook aan deze faculteit (Bio-ingenieurswetenschappen, n.v.d.r.) was die sterke reflex om te publiceren er helemaal niet. Genoeg proffen publiceerden enkel in lokale tijdschriften. Vooral mijn generatie was voortrekker van internationalisering. Maar iedereen wíl nu bekendheid, mensen willen hun verhaal kwijt. De druk van de financiering zorgt er echter voor dat één verhaal soms in twee wordt geknipt, want dan heb je twee publicaties. Aan de andere kant blijft het niveau voor onderzoeksvoorstellen stijgen. Ik doe zelf eveneens reviewwerk voor het FWO en àlle voorstellen zijn goed uitgedacht. Naar het schijnt had je vroeger kaf en koren, nu enkel koren. Je ziet ook dat er gewoon veel meer aanvragen zijn.”
“Dat is zoals een euro in een sjiklettenbak steken en twee sjikletten verwachten.”
Vindt u de extra middelen voor de alfa’s een goede zaak?
“Zeker. De Onderzoeksraad heeft de extra kapitaalinjectie voor de alfawetenschappen ook gesteund. Daar is kritiek op gekomen, want het gaat om veel belastinggeld. Maar als je begint te beslissen dat bepaalde eenheden subsidies mogen krijgen en andere niet, kan je de universiteit evengoed in elf stukken kappen. Maar dan is de eenheid weg. We moeten solidair zijn voor elkaar. Ik hoop dat het een drive zal zijn om meer samen te werken, want volgens mij kennen veel alfaonderzoekers elkaar niet. Als ik zelf praat met andere bèta- en gammawetenschappers, merk ik vaak dat er synergie mogelijk is tussen mijn vraagstellingen en de hunne. Nu, een insect Latijn laten praten kan ik niet, maar ik merk wel dat er overal dezelfde denkpatronen werken. Ik had laatst een gesprek met iemand van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, en als ik zie hoeveel zij aan (populatie)statistiek doen, zouden zij perfect de gedragingen van mijn insecten kunnen analyseren. Ik was daar echt door verrast.”
“De alfawetenschappen hebben het allemaal wat afgewacht en daarmee hebben ze hun trein misschien gemist. Maar ik vind dat ze zich nu vrij goed organiseren. En in de bèta- en gammawetenschappen moeten we er misschien meer op letten dat we niet in overdrive gaan. Je hebt mensen die product X nemen, daar wat proefjes op uitvoeren en dat publiceren. Daarna nemen ze product Y, voeren dezelfde proefjes uit, nóg een publicatie. Maar dat noem ik geen publicaties, dat zijn rapporten. Er moet eens nagedacht worden over het peer-reviewsysteem, want het is vreemd dat zulke publicaties geaccepteerd worden. Ik zit in een tiental journals in de board en mijn rejection rate ligt op 60%, wat vrij hoog is. Zulke artikels komen er bij mij niet door. Je moet meer te vertellen hebben bovenop de routine.”
Naast onderzoek moet een academicus ook goed onderwijs leveren. Wordt daar nog naar gekeken wat betreft subsidies?
“In de financiering wordt een groot deel nog steeds binnengehaald via de pijler onderwijs, 55 procent zelfs. Ik vind wel dat academisch onderwijs moet gesteund zijn op onderzoek. Ik heb collega’s die tien cursussen geven en die kunnen onmogelijk allemaal gebaseerd zijn op eigen onderzoek. Dat is een fulltime job op zichzelf. Je kan niet op alle drie van de pijlers je ten volle inzetten, maar afwisseling is troef. Daarom ben ik ook blij dat er een loopbaanbeleid is gekomen voor ZAP’ers zodat ze wat meer vooruit kunnen plannen. Er is natuurlijk veel werkdruk, maar er wordt meer loopbaandiversificatie aangeboden dan vroeger. Een burn-out valt te vermijden en kwaliteitsvol onderwijs is zeker haalbaar.”
Denkt u dat fundamenteel onderzoek nog voldoende kansen krijgt?
“Ja, toch wel. Bij mij is het fifty-fifty. Zo zitten ook mijn onderzoeksprojecten in elkaar: een stuk fundamenteel en een stuk toegepast. Toegegeven, de impactfactor zal niet altijd even hoog liggen, maar publiek bereiken dat je verhaal wil lezen is even belangrijk. Je kan een geneeskundig tijdschrift met een hoge impactfactor hebben dat enkel gelezen wordt door geneeskundigen, maar dat zal dan misschien twee keer geciteerd worden. Je mag nog publiceren in Nature, maar als niemand je artikel gebruikt, bereik je niet veel. Als je alles verkapt, duurt het misschien vijf jaar eer alle tijdschriften je kennen. Daarna gooien ze je werk overal buiten.”
Zijn de debatten op de Onderzoeksraad vurig?
“Het gaat er soms pittig aan toe. En dat is ook nodig. Als een aanvraag echt niet goed is, ook al is ze van topmensen, moet je nee durven zeggen. Dan schop je tegen de schenen van gevestigde waarden, maar je moet mensen die wél hun best doen een eerlijke kans geven. We hebben het de laatste tijd wel eens over het Matteüseffect. Mensen die al iets bereikt hebben en die al lang aan een project bezig zijn, moet je daar nog een zak geld bijzetten? Ik heb zelf vijfentwintig mensen in mijn onderzoek, vier postdocs van 180 000 euro per jaar. Ik moet voor de middelen zorgen om ze te blijven betalen. Als ik maar een contract van zes maanden kan garanderen, gaan die mensen een andere job zoeken. Dus ik probeer ze toch één à drie jaar werkgarantie te bieden. Je kan als prof helaas niet altijd enkel intern financiering genieten, dus soms moet je ook extern gaan zoeken bij bedrijven. Aan de andere kant is het ook niet de bedoeling dat elke investering onmiddellijk veel output genereert. Dat is zoals een euro in een sjiklettenbak steken en twee sjikletten verwachten.”
