"Belangrijke ontdekkingen ontstaan door afwijkend denken"
- editie
- 515
- categorie
- wetenschap
Onderzoekers. Het zijn allang geen eenzame malloten meer die zich dagen opsluiten in een beschimmelde zolderkamer en overleven dankzij een gulle mecenas. Nee, de tijden zijn veranderd en verschillende onderzoeksteams strijden hard tegen hard om dat laatste restje geld uit de pot te bemachtigen. Al zijn er geruchten dat de ethische principes daarbij wel eens aan de kant worden geschoven.
Er zijn een hele hoop onafhankelijke kanalen waarlangs onderzoekers hun project kunnen laten financieren. Zo heeft de UGent zelf twee instanties die een budget voorzien voor onderzoek. Wie aan fundamenteel onderzoek wil doen, kan best eens te rade gaan bij het Bijzonder Onderzoekfonds (BOF). Dit fonds wordt beheerd door de onderzoeksraad: een adviserend orgaan dat niet alleen beslist of een onderzoeker zijn geld krijgt, maar ook de kwaliteit van het onderzoek aan onze Alma Mater in het oog houdt en standpunten bepaalt omtrent het interne onderzoeksbeleid. Wie meer toegepast onderzoek doet, kan terecht bij het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF). Het IOF wil aansluiten bij het valorisatiebeleid van de universiteit, met andere woorden: toegepast onderzoek moet ooit geld in het laatje brengen, maar daarvoor moet het eerst voldoende middelen hebben om zich te kunnen ontwikkelen. Het IOF voorziet die middelen voor projecten in verschillende stadia: onderzoek waar de wetenschappelijke basis al voor gelegd is, maar de toepassingsmogelijkheden nog niet ontdekt zijn. Vervolgens krijgen die projecten een meer welomlijnd valorisatietraject. De onderzoekers weten welke toepassingen mogelijk zijn, maar moeten ze nog op punt stellen, om uiteindelijk in de laatste fase terecht te komen: het opzetten van een spin-off. Ook hier voorziet het IOF geld voor. De beslissing of een project al dan niet geld krijgt, hangt af van de IOF-raad die zowel bestaat uit academici als mensen uit het bedrijfsleven, uit de meest uiteenlopende takken.
Money money money
Andere bekende financieringskanalen zijn het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en het Instituut voor de Aanmoediging van de Innovatie voor Wetenschap en Technologie (IWT), twee instanties van de Vlaamse overheid die respectievelijk voor fundamenteel en toegepast onderzoek ontwikkeld zijn. Daarnaast zijn er nog een hele hoop andere instanties die beurzen uitdelen aan projecten, maar de vraag blijft groter dan het aanbod. Volgens Jeroen Vanden Berghe van de Directie Onderzoeksaangelegenheden is een onderzoeksprogramma de moeite waard om te organiseren wanneer één derde van de aanvragen gefinancierd kan worden, maar vaak wordt dat cijfer niet gehaald. Bovendien is er een daling van het percentage goedgekeurde projecten: waar het FWO voor het academiejaar 2007-2008 nog 34% van de doctoraatsmandaten goedkeurde, was dat vorig academiejaar nog slechts 21,80%. Dat komt ten eerste omdat er steeds meer aanvragen zijn, maar ook omdat de budgetten sterk achteruit gegaan zijn.
Echt veel geld valt er dus niet te rapen via deze officiële kanalen. Daarom gaan steeds meer onderzoekers een samenwerking aan met de industrie. Maar daar begeven ze zich — volgens sommigen — op glad ijs, want hoe kan je nog van onafhankelijk onderzoek spreken als je sponsor alleen maar op winst uit is? Toch is het een fabeltje dat je je resultaten al moet weten vooraleer je de financiering voor je onderzoeksproject kan krijgen, volgens Luc van Bortel, hoofd Geneesmiddelenonderzoek aan de UGent. “Je hoort dat soms wel eens, maar dat gaat enkel over ‘fase IV-studies’ (studies met producten die al op de markt zijn, n.v.d.r.). Die worden door een firma uitgevoerd om een product meer bekendheid te geven en vaak kiezen ze dan een product uit waarvan ze bijna zeker weten dat het beter is. Ook Jean-Paul Remon, decaan van de faculteit Farmaceutische Wetenschappen, heeft nog nooit geweten dat een farmabedrijf zei: “Ge kunt zien dat dat uw conclusie is”.
Laszlo Kosolosky, doctorandus aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap heeft echter andere ervaringen op dit gebied. “Het aanvragen van een persoonlijke beurs bij het FWO gebeurt via het schrijven van een projectvoorstel. Enerzijds is dit handig voor de commissieleden om snel inzicht te krijgen in zowel de materie als in de capaciteit van de onderzoeker, anderzijds vereist een geslaagd projectvoorstel ook een gedetailleerde beschrijving van wat je de komende vier jaar van plan bent te doen. Het behoeft geen betoog dat personen die al weten welke de onderzoeksresultaten zullen zijn, meer gewaardeerd worden. Deze eis gaat dan ook te ver. Als iemand in staat is in zijn of haar projectvoorstel reeds de resultaten op te sommen, heeft het weinig zin een onderzoeksbeurs toe te kennen. Men zou het dan evengoed een publicatiebeurs kunnen noemen, met een louter economisch nut. Het zou beter zijn om onderzoeksgeld beschikbaar te stellen voor minder voor de hand liggende projecten of projecten die, uiteraard op basis van geldige argumentatie, tegen de stroom in wensen te gaan. De opmerkelijkste ontdekkingen komen immers voort uit onderzoek dat zich waagt aan vernieuwende ideeën.”
Kapitalisme rules
Onderzoeksgeld is één ding, maar professoren zouden ook wel eens bonussen krijgen op hun onderzoekswinsten. “Niet waar,” aldus Van Bortel, “ik werk aan de verkeerde universiteit, denk ik (lacht). Je maakt een contract met een firma en daar speel je toch ook mee met de marktlogica. In België hebben we negen fase I-units. Ik kan niet zomaar de prijs vragen die ik wil, want de bedrijven kennen de prijs van de andere fase I-units natuurlijk ook. Je zit dus in een concurrentiepositie. Het is wel zo dat, als die studie goed gelopen is en er is nog wat geld over, je dat opnieuw kan gebruiken om nieuw wetenschappelijk onderzoek te financieren.” Ook professor Peter Bienstman van de Phototonics Research Group aan de UGent ontkent het bonusverhaal: “Wij worden niet betaald door de industrie. Wat wel gebeurt, is dat de dingen die wij ontwikkelen nadien gecommercialiseerd worden in spin-offs, maar dat wordt meer gedreven vanuit onszelf dan vanuit de industrie. Het is zeker niet zo dat wij onze ziel aan de industrie verkopen.”
Kosolosky ziet dit toch enigszins anders: “Professoren genieten een onderzoekstoelage per succesvol afgerond doctoraat onder hun begeleiding. Dat is inderdaad het geval, hoewel die toelage met bijna de helft wordt ingekort. Een positieve maatregel, want het creëert bij promotoren een incentive om met hun onderzoekers bezig te zijn en hen te begeleiden op hun parcours naar promotie.”
“Hoe eerder ik een medicijn gekilld heb, hoe sneller zij kunnen stoppen met het onderzoek”
Maar kan ons wetenschappelijk onderzoek wel overleven zonder geld uit de privésector? Volgens Remon is dat in het huidige economisch klimaat bijzonder moeilijk: “Iedereen vist bijna in dezelfde vijvertjes, maar die zijn beperkt. We moeten meer zelf initiatief nemen en naar de private markt stappen.” Bienstman vindt dat er een onderscheid gemaakt zou moeten worden in de financieringsmechanismen voor fundamenteel en toegepast onderzoek, waarbij het fundamenteel onderzoek eerder gesponsord zou moeten zijn door regeringen en de Europese Commissie terwijl bij het toegepast onderzoek gekeken kan worden naar een samenwerking met de industrie.
Van Bortel: “Het is maar zelden dat, als wij een product krijgen om te onderzoeken in fase I–onderzoek, dat rechtstreeks van de universiteit komt. Meestal komt dat al van een firma, omdat de universiteit geld nodig heeft van een firma die dan ook input geeft om het verder mee te ontwikkelen.”
“In fase I, het onderzoek waar ik mee bezig ben, geldt: hoe eerder ik een medicijn gekilld heb — dus zeg dat het slecht is — hoe sneller zij kunnen stoppen met het onderzoek en hoe minder geld zij moeten uitgeven. Op dat punt heb ik eigenlijk weinig invloed van marketing.”
It’s the system!
Een andere mogelijkheid is een toename van spin-offs, stelt Remon: “Al moet je daar voorzichtig mee zijn. Er worden heel dikwijls one product companies opgericht. Soms wordt daar niet genoeg over nagedacht.”
Bienstman: “Tja, een spin-off heeft niet als taak om onderzoek te doen natuurlijk, die heeft als taak om een product op de markt te zetten en dat te commercialiseren.”
Kosolosky: “In se zijn privaat geld en onafhankelijk onderzoek onverenigbaar, omdat het huidige systeem ze onverenigbaar gemaakt heeft. Niets verhindert ons echter om aan het systeem zelf te sleutelen. Maar op zichzelf is onafhankelijkheid van onderzoek minder belangrijk. Wat telt, is dat de integriteit van onderzoek bewaard wordt: dat de resultaten betrouwbaar en niet misleidend zijn en dat bepaalde morele standaarden gerespecteerd worden. Dit is perfect mogelijk voor onderzoek waarbij de betrokkenen bepaalde financiële belangen hebben. Het gevaar is echter dat, wanneer de financiële belangen groot worden, deze belangen — vaak onbewust— gaan primeren. Daarom is het misschien beter dat bijvoorbeeld professoren geen bonus krijgen uit de onderzoekswinsten, omdat dit dergelijke praktijken kan bevorderen. Anderzijds kan een dergelijke bonus een stimulus zijn om onderzoek en de vertaling ervan naar technologische innovatie, efficiënt te laten verlopen.”

