De individuele mythe van de psychoanalyse (deel 2)
Voor één keer worden de rollen omgedraaid. Schamper nodigt psychologen uit op de sofa en tracht hun geest te doorgronden. We graven verder op zoek naar de relevantie van psychoanalyse.


Twee weken geleden kon u al het eerste deel lezen van ons onderzoek naar psychoanalyse aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (FPPW). We zochten antwoorden op vragen als: “Hoe is de hele discussie ontstaan? Is de psychoanalyse voldoende empirisch onderbouwd? Waarom is de psychoanalyse zo aantrekkelijk? Wat is de invloed op het imago van de UGent?”
Deze editie horen we een andere kant van het verhaal. We onderzoeken het curriculum van de toekomstige psychologen en werpen een blik op de toekomst van de psychoanalyse.
Weerstand
“Hoeveel van de docenten die psychologen opleiden, weten hoe het is om iemand te behandelen? Wat is de klinische validiteit van die theorieën? Wat ga je doen op het moment dat er iemand voor je zit met een zwaar probleem?” Professor Stijn Vanheule formuleert hier de belangrijkste kritiek vanuit geesteswetenschappelijke hoek op de natuurwetenschappelijke methode. Professor Marc Brysbaert erkent als natuurwetenschapper deze kritiek: “Veel jonge mensen zien in dat de natuurwetenschappelijke manier de beste methode is om tot kennis te komen, maar weinigen staan stil bij het idee wat je daar nu concreet mee moet doen als mensen in de problemen zitten.”
Dat besef leeft onder de studenten. Christina, studente psychologie, meent dat het kwantificeren van de psychologie enkel een gewelddadig probeersel is om van de psychologie een harde wetenschap te maken met de bedoeling om relevant te worden in de academische wereld. Anderen zien graag de affectieve component weer wat meer in beeld komen.
Professor Ernst Koster argumenteert dat elke therapeut binnen iedere therapiestroming sowieso al bezig is met de unieke facetten van de persoon: “Het is evident dat de therapeutische relatie uiterst belangrijk is. Dat neemt echter niet weg dat beslissingen met betrekking tot diagnostiek of behandeling ook gebaseerd dienen te zijn op de huidige wetenschappelijke stand van zaken. Want wat is het alternatief? Intuïtie, klinische ervaring, en dergelijke zijn factoren die in onderzoek uiterst feilbaar zijn gebleken.”
Toch is dit niet het belangrijkste argument. De meeste psychologen zijn het er over eens dat de discussie van geesteswetenschappelijk versus natuurwetenschappelijk denken naast de kwestie is. Professor Wouter Duyck stelt het zo: “Als ik de oude geschriften van Lacan en Freud lees, vind ik die als wetenschapper hoogst twijfelachtig. Maar omdat de effectiviteit van psychotherapieën voor een belangrijk deel voortspruit uit theorie-neutrale effecten, zie je vaak weinig verschil in de werkzaamheid van verschillende soorten therapie. Het belangrijkste is echter dat de werkzaamheid empirisch getoetst wordt.”
“Daarom vond ik de discussie in De Standaard deels triviaal,” zegt Vanheule, “omdat het aan een belangrijk punt voorbijgaat: psychoanalytische therapieën zijn effectief bewezen. Dat is het belangrijkste. Het is ook een verkeerde discussie om te stellen dat Freud ongelijk had. Uiteraard zijn er zaken die niet kloppen in zijn theorie. Maar die ideeën zijn aangepast doorheen de tijd.”
Het onderscheid maken tussen de strikte, historische psychoanalyse en de hedendaagse variant is essentieel in de discussie, vertelt een student ons.
“Hoeveel van de docenten die psychologen opleiden, weten hoe het is om iemand te behandelen?”
Leeranalyse
Een discussie die al helemaal niet wordt gevoerd, is de aanwezigheid van psychoanalyse binnen het curriculum van de opleiding psychologie. De meningen daarover lopen sterk uiteen, zowel bij docenten als bij studenten. Al is iedereen het erover eens dat de psychoanalyse binnen de psychologie een sterke historische waarde heeft.
Prof. Brysbaert schreef het lijvige handboek Psychologie, dat binnen meerdere faculteiten wordt gebruikt voor het vak ‘Algemene Psychologie’. Hij vindt dat je je verleden niet mag verloochenen. “Freud zit nu eenmaal in onze cultuur. Ik heb er geen enkel probleem mee dat psychoanalytici die alternatieve visie verkondigen, maar dan wel binnen een algemeen kader waarin ze Freuds woorden niet zomaar voor waar aannemen.”
Ook prof. Vanheule vindt het curriculum evenwichtig verdeeld. “Het moet vooral de bedoeling zijn om een genuanceerd beeld te krijgen van de psychologie.”
Christina wil dan weer meer psychoanalytische vakken voor de studenten. “Dan zouden ze inzien dat niet alles opgelost kan worden met medicijnen en cognitieve gedragstherapie.”
Niet iedereen is het eens met die stelling. Sommige studenten menen dat psychoanalyse te veel aan bod komt in het curriculum. Elk jaar is er namelijk minstens één vak dat psychoanalytisch wordt ingevuld. Sommigen vinden dat die vakken beter ingevuld kunnen worden vanuit andere geesteswetenschappelijke stromingen die minder aan bod komen.
Daarnaast klagen studenten dat een psychoanalytisch perspectief binnen de lessen een verdraaid beeld geeft van het vak. Veel studenten zijn gefrustreerd dat het vak ‘Geschiedenis van de psychologie’, gedoceerd door psychoanalyticus Filip Geerardyn, helemaal niet inhoudt wat de titel doet vermoeden.
Elk vak heeft een studiefiche, waarop duidelijk aangegeven staat wat het vak specifiek inhoudt. Bij nadere inspectie van de studiefiche van ‘Geschiedenis van de psychologie’ blijkt die in niets overeen te komen met de praktijk. De titel ‘Geschiedenis van Freud’ was misschien een betere titel geweest.
Een gemiste kans om studenten psychologie kennis te laten maken met hun verleden. Een student omschreef het vak als “een misplaatste vorm van propaganda voor de psychoanalyse.”
De toekomst
“Psychoanalyse zal verdwijnen.”
Rest ons nog één pertinente vraag: zal de psychoanalyse ooit verdwijnen? Niemand heeft een glazen bol. De antwoorden zijn dan ook divers.
Voor Brysbaert bestaat er geen twijfel over: “Psychoanalyse zal verdwijnen. Dat gaat een historisch nootje worden. Iets wat op een bepaald moment als de norm geldt, hoeft dat niet noodzakelijk twintig jaar later nog te zijn.” Hij blijft sceptisch in hoeverre de experimentele psychologie het mooie verhaal kan overnemen. “Dat interesseert mensen niet echt. Behalve in specifieke toegepaste problemen.”
Koster ziet de toekomst anders. “Ik hoop vooral dat de discussie tussen de klinische scholen ophoudt en plaatsmaakt voor een unitaire en open klinische stroming.”
Voor professor Herbert Roeyers hoeft de psychoanalyse niet te verdwijnen. “De psychoanalyse is vandaag iets anders dan de psychoanalyse van Freud. Ik denk dat er toekomst zit in de benaderingen die meer in de richting gaan van de psychodynamica, waarin er wel zinvolle elementen zitten.”
Het meest verrassende antwoord kom van de psychoanalyticus zelf. Vanheule ziet de psychoanalyse verdwijnen. “Er is nog nooit een denkrichting in de geschiedenis geweest die eeuwen heeft standgehouden. Die verdwijning zal wel een gevolg zijn van maatschappelijke evoluties. Maar zolang ik geen valabel alternatief zie, is dat het spoor van waarop we verder werken. Omdat ik geloof dat ik een vakgebied heb dat toekomst heeft en een unieke bijdrage kan leveren in het denken over mensen. Er bestaat nog een niche voor ons.”
Het einde van de discussie is wellicht nog lang niet in zicht. De historische waarde speelt in het voordeel van de psychoanalyse. Ook uit collegialiteit durven maar weinig onderzoekers aan de FPPW hun mening te uiten. Al deze factoren zorgen er spijtig genoeg voor dat een echt kritische blik op de psychoanalyse vanuit psychologisch-academische hoek nooit overtuigend naar voren is gekomen. Die taak zal voor de studenten weggelegd zijn. Als ze gehoord willen worden, natuurlijk.

Reacties
Wat zou prof. Kurt Audenaert
Op 18 maart 2012 om 14:38 door t'is niet waarWat zou prof. Kurt Audenaert van dit alles denken?