De individuele mythe van de psychoanalyse: deel 1
- editie
- 512
- categorie
- nieuws en reportages
Nu het stof stilaan is neergedaald en wetenschapsfilosofen en psychoanalitici hun wonden likken, horen we plots de stilte die altijd op de achtergrond is gebleven. De stilte van andere psychologen. Want, o ja, die bestaan ook nog.


We vonden het hoog tijd om eens op onderzoek uit te trekken naar de faculteit Psychologische en Pedagogische Wetenschappen (FPPW). Want hoe zit het nu met de mening van collega-psychologen? Wat vinden de studenten van de aanwezigheid van psychoanalyse in hun curriculum? En wat is nog de relevantie van een Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie aan de UGent? U komt het — hieronder en in de volgende Schamper— allemaal te weten in onze tweedelige reeks over psychoanalyse aan de UGent.
Het verleden
De hele discussie moet volgens prof. Marc Brysbaert, experimenteel psycholoog, eerst historisch gekaderd worden.
“Enerzijds is er een klassieke cultuur die sterk gericht is op kunst, wiskunde en literatuur — ‘de geesteswetenschappen’ of de ‘alfawetenschappen’. Sinds de 17e eeuw is er dan de opkomst van het wetenschappelijk denken, waarbij empirische experimenten de kern vormen van de kennisopbouw. Dat zijn dan de ‘bètawetenschappen’ geworden. Die twee zijn altijd wat in wederzijdse concurrentie geweest.”
Volgens prof. Brysbaert valt psychologie net op die breuklijn. Naderhand is de psychologie de natuurwetenschappelijke richting opgegaan, waardoor de geesteswetenschappelijke stromingen, zoals de psychoanalyse, een kleinere rol kregen toebedeeld. “Dat was een wereldwijde verschuiving. Ze waaide vanuit Amerika over naar Engeland, Nederland, België, Frankrijk en zo verder.”
Prof. Wouter Duyck gaf hierover als voorzitter van de opleidingscommissie psychologie verdere toelichting in het Radio 1-programma ‘Interne Keuken’. De populariteit van bepaalde stromingen is volgens hem ook afhankelijk van toonaangevende figuren. “Door de populariteit van een volgeling van Freud, Jacques Lacan, bleef de psychoanalyse in de Franse school sterk aanwezig. Zelfs in Franstalig België bepaalt de psychoanalyse nog steeds de meerderheid. De cognitieve benaderingen komen dan typisch uit de Angelsaksische wereld en je zal zien dat die dan meer in Amerika en Engeland dominant zijn. En eigenlijk ook in Vlaanderen.”
Prof. Brysbaert was zelf getuige van de evolutie in Gent. Tot 1990 lag in Gent de klemtoon op psychoanalyse binnen de psychologie. “Een toen uitgevoerde onderwijsvisitatie was kritisch over het Gentse onderwijsniveau. Rond 1994-1995 heeft de universiteit dan gezegd: “Wij moeten veranderen, want anders missen we de boot.” Vanaf dan is er binnen de psychologie een verschuiving geweest naar de wetenschappelijke opleiding van de psycholoog.”
Empirisch
In de opiniepagina’s van De Standaard laaide de discussie hoog op tussen wetenschapsfilosofen en psychoanalytici.
Voor prof. Brysbaert is de discussie rond de psychoanalyse niet zo verwonderlijk. De psychoanalyse zou zich twintig jaar geleden stilaan hebben verschoven naar de filosofische departementen. “De filosofen hebben op een bepaald moment Freud en het hele psychoanalytische kader ontdekt en die waren enthousiast, want dat is een leuk verhaal.” Nu, twintig jaar later, beginnen ook zij te ontdekken dat er eigenlijk weinig van waar is. De ervaring die psychologen twintig jaar geleden doorgemaakt hebben, dat maken de filosofen nu mee. “Voor ons psychologen is dat dus oude kost.”
Andere psychologen vinden het daarom vreemd dat de discussie plots losbarstte. Prof. Duyck erkent dat de klassieke theorieën van de psychoanalyse de empirische toets niet hebben doorstaan. “Maar de discussie is onvolledig. Hedendaagse psychoanalytici hebben wel de wetenschapsfilosofische kritieken geaccepteerd.”
Laten we ons dan eens buigen over die empirische kwestie. In hoeverre werkt de psychoanalyse vandaag ‘evidence-based’? Om deze vraag te beantwoorden halen we er nog enkele psychologen bij. Prof. Ernst Koster is docent ‘Inleiding van de Klinische Psychologie’ en wordt geacht een duidelijk overzicht te kunnen bieden op de verschillende klinische stromingen. Hij vertelt dat er binnen de psychoanalyse lange tijd een grote scepsis is geweest tegenover onderzoek naar het effect van therapieën. “Hoewel dit de afgelopen jaren veranderd is, blijft de hoeveelheid onderzoek binnen de psychoanalyse ook vandaag nog beduidend minder dan bijvoorbeeld in de cognitieve gedragstherapie.”
Ook prof. Herbert Roeyers, experimenteel-klinisch psycholoog, ziet een duidelijke verschuiving binnen de psychoanalyse naar meer empirisch onderzoek. “Ik heb alleen het idee dat men daarin nog niet helemaal zijn weg heeft gevonden.”
Vanuit neurowetenschappelijke hoek is er ook duidelijke interesse in die psychoanalytische constructen. Op verschillende niveaus wordt er deels ondersteuning voor gevonden. “Natuurlijk,” stelt prof. Koster, “de theorie is zo breed dat je gemakkelijk evidentie kan vinden voor een specifiek onderdeel, bijvoorbeeld voor onbewuste verwerking. Maar dergelijke bevindingen zijn daarmee nog geen bewijs voor ‘de psychoanalyse’.”
Vaak schermen psychoanalytici ook met onderzoeken die (soms onterecht) bewijzen dat concepten uit de psychoanalyse kloppen. Een student psychologie wijst ons op het onderzoekswerk van Fisher & Greenberg. “Sprokkelwerk bij cognitiewetenschappen om tot een soort Freud light te komen qua ondersteuning, maar die vanuit verschillende hoeken (ook in de psychologie) fel bekritiseerd wordt”, aldus de student.
Professor Stijn Vanheule, psychoanalyticus, verdedigt zich: “Psychoanalytische theorieën zijn niet ontstaan in een experimentele context. Vanuit een klinisch werken met mensen zijn bij ons stilaan die theorieën opgebouwd. Maar natuurlijk doen wij een beroep op onderzoeksgegevens en doen wij zelf ook onderzoek om de theorieën bij te sturen. Freud heeft zijn theorie ontwikkeld vanuit zijn empirie, door te werken met patiënten. In die zin is dat een klinische theorie, geen laboratoriumtheorie. Andere therapieën zijn trouwens ook gebaseerd op niet-verifieerbare aannames.”
De psychoanalyse moet vooral gezien worden als een denkkader, stelt prof. Vanheule. “Dat mag in geen geval een ideologie worden. Men moet kritisch blijven.”
Voor prof. Brysbaert gaat de psychoanalyse niet ver genoeg in zijn kritische houding tegenover de eigen theorieën. “Ze scheiden niet genoeg het kaf van het koren.”
Discours
Het grote debat draait vooral rond de theorieën van de psychoanalyse. Vele psychologen staan twijfelachtig tegenover de vage terminologie en de complexe teksten.
Prof. Duyck ziet Freud als een typisch voorbeeld van een ‘sofa scientist’: een wetenschapper die zich in zijn zetel zet en nadenkt over hoe de menselijke geest in elkaar zit.
Prof. Annemie Desoete, expert in dyslexie en dyscalculie, kan getuigen over de soms absurde theorieën die ze te horen kreeg, toen ze naar een congres in Frankrijk ging. “Daar kijken ze op een psychoanalytische manier naar leerstoornissen en toen kon ik mijn oren niet geloven. Maar ze verkondigden het wel aan een zaal mensen die dat zomaar slikte. Een bizarre ervaring.”
Als voorbeeld halen we uit de controversiële film ‘Le Mur’ van Sophie Robert volgende lacaniaanse redenering:
“Psychotische en autistische kinderen zijn slachtoffers van de vervreemding door een psychogene moeder, een vrouw die weigert haar zwangerschap stop te zetten omdat ze niet wil scheiden van het kind, dat als substituut dient voor een penis die de vrouw nooit bij haar geboorte heeft ontvangen.”
Prof. Roeyers, expert in autisme en ADHD, weerlegt deze stelling. “Die definitie staat mijlenver van onze bevindingen. Vandaag kijken we naar autisme als een stoornis met een sterk genetische basis en een verschillende ontwikkeling van de hersenen.” Niet iedere psychoanalyticus, vooral in Vlaanderen, gaat nog akkoord met zo’n stellingen. Ook prof. Vanheule distantieert zich van deze uitspraken. “Zo’n uitspraken zijn zinloos, omdat de psychoanalyse over zo’n zaken geen causale uitspraken kan doen.” Al schrijft hij daarmee niet de psychoanalytische therapieën voor autisme af.
Een student aan de FPPW vertelt ons verder hoe hij sterk gekant is tegen begrippen als droomduiding, de diepere betekenis van versprekingen en het constant willen integreren van Lacan. “Lacan denkt correct bezig te zijn van zodra hij wiskundige formules gebruikt, wat helemaal niet waar is. Met sommige uitspraken slaat Lacan de spijker op de kop, maar op sommige punten zit hij er mijlenver naast.”
Prof. Vanheule erkent de complexiteit van teksten van Lacan. “Lacan is controversieel, omdat hij barok schreef. Lange, moeilijke zinnen. Zijn schrijfstijl was troebel. Maar die teksten moeten bestudeerd worden vanuit een relevante context.”
Een volgende vraag is dan waarom het verhaal van de psychoanalyse toch zo aantrekkelijk blijft.
Prof. Brysbaert biedt een mogelijk antwoord. Hij stelt dat de psychoanalyse een heel mooi verhaal is, vol contra-intuïtieve ideeën. “De mensen willen die verhalen geloven. Zolang je eenvoudige verhaaltjes blijft vertellen, gelooft iedereen ze en is iedereen geïnteresseerd, want dat is psychologie. Wanneer je dan begint met een zware wiskundige analyse, dan is het geen psychologie meer.”
Prof. Vanheule ziet het succes van Lacan meer vanuit psychoanalytische hoek: Lacan zou vooral succes hebben omdat hij de teksten van Freud aan de 20e eeuw zou hebben aangepast.
Bij studenten lijkt vooral het bredere denkkader hen aan te trekken. Christina, studente aan de FPPW, vertelt ons wat ze zo aantrekkelijk vindt aan de psychoanalyse: “Voor mij is het niet enkel de therapie, maar het geheel dat me zo aanspreekt: ik vind er een verband met de kunsten. Een gevoel dat andere therapieën mij niet geven.”
Imago
Een kritische stem, dat is waar de psychoanalyse tegenwoordig om bekend staat. Voor veel psychologen is dat ook een goede zaak. “Het is altijd goed dat die stem weerklank blijft vinden”, stelt prof. Brysbaert.
Prof. Desoete is het daar roerend mee eens. Voor haar is dat de belangrijkste functie van de psychoanalyse. “De psychoanalyse geeft antwoorden waar ik het niet mee eens ben, maar ze dwingen je je eigen mening helderder te formuleren. De wetenschap evolueert ook door discussie.”
Echter, er schuilen nogal wat gevaren in dat kritisch denken. Prof. Desoete ziet een duidelijke trend in de maatschappelijke richting. “Soms is het gewoon demagogie. Ze beginnen en eindigen een artikel met zaken die juist zijn, maar vullen het dan op met stellingen die niet helemaal kloppen. Dat mag niet. Op die manier kan je niet tegen zijn.” Een student citeerde in deze context prof. Vanheule in één van zijn colleges: “Holle vaten klinken het hardst.”
Prof. Roeyers merkt dezelfde trend binnen zijn onderzoek naar ADHD. Niet zozeer in de wetenschappelijke literatuur hoort hij kritiek, maar wel in de media. “We zien opiniestukken die suggereren dat ADHD geen neurobiologisch bepaalde stoornis is, maar een relationele stoornis en dat je dat label niet zou mogen kleven op kinderen.” Hij verwerpt de argumenten die daarvoor worden gebruikt. “Ze mogen hun mening hebben, maar het is niet de mijne en ik vind ook niet dat ze gebaseerd is op goede argumentatie.”
Prof. Vanheule nuanceert de kritiek. Ze wordt eerder geuit op de huidige wijze van diagnose, dan op het fenomeen ADHD. “Het wordt te veel herleid tot een neurobiologisch patroon en er wordt te veel gewerkt met neurobiologische interventies.”
Er is echter een grote keerzijde aan de medaille. Zowel prof. Desoete als prof. Roeyers weten ons hetzelfde fenomeen voor te leggen: de kritiek beïnvloedt de publieke opinie. En niet altijd in de goede zin. Prof. Desoete vertelt hoe sommige ouders nog weigeren mee te werken aan onderzoek, omdat het onderzoek aan de UGent gebeurt. Ook prof. Roeyers kampt met problemen: “We horen meer en meer dat mensen de psychoanalytische opinie in de praktijk lezen en plots weigeren deel te nemen aan onderzoek. Men denkt dat dat de visie van de UGent is. Men verkondigt een beeld dat niet strookt met het onze.”
Daarmee is de discussie nog niet ten einde. Volgende Schamper gaan we dieper in op de verdediging die vanuit geesteswetenschappelijke hoek komt, hoe het staat met de psychoanalyse binnen het onderwijs en de vraag of de psychoanalyse nog een lang leven is beschoren. Stay tuned!
Vanheule: “De psychoanalyse moet vooral als een denkkader worden gezien.”
Roevers: “Men verkondigt een beeld dat niet strookt met het onze.”
Heb je een eigen mening over dit onderwerp en wil je jouw stem laten horen? Laat een reactie achter op de site van Schamper of stuur een lezersbrief!
Het vervolg: deel 2

Reacties
Zot interessant, kijk al uit
Op 4 maart 2012 om 14:55 door IneZot interessant, kijk al uit naar deel 2
Ik citeer historicus Peter
Op 5 maart 2012 om 14:36 door Dokter WatsonIk citeer historicus Peter Watson (“The Modern Mind: An Intellectual History of the 20th Century”, 2002):
“Sir Peter Medawar described (in 1972) psychoanalysis as ‘one of
the saddest and strangest of all landmarks in the history of twentieth-century
thought.’33 Freud unveiled the unconscious to the world in 1900, at much the
same time that the electron, the quantum, and the gene were identified. But
whereas they have been confirmed by experiment after experiment, developing
and proliferating, Freudianism has never found unequivocal empirical support,
and the very idea of a systematic unconscious, and the tripartite division of the
mind into the id, ego, and superego has seemed increasingly far-fetched. This
is crucial in my view, for the consequences of the failure of Freudianism have
not been thought through, and a re-evaluation o f psychoanalysis is now urgently
needed. For example, if Freud was so wrong, as I and many others believe,
where does that leave any number of novels and virtually the entire corpus of
surrealism, Dada, and certain major forms of expressionism and abstraction,
not to mention Richard Strauss’s ‘Freudian’ operas such as Salome and Elektra,
and the iconic novels of numerous writers, including D. H. Lawrence, Franz
Kafka, Thomas Mann, and Virginia Woolf? It doesn’t render these works less
beautiful or pleasurable, necessarily, but it surely dilutes their meaning. They
don’t owe their entire existence to psychoanalysis. But if they are robbed of a
large part of their meaning, can they retain their intellectual importance and
validity? Or do they become period pieces? I stress the point because the novels,
paintings, and operas referred to above have helped to popularise and legitimise
a certain view o f human nature, one that is, all evidence to the contrary lacking,
wrong. The overall effect of this is incalculable. All of us now harbor the view,
for example, that our adult selves bear a certain relation to our childhood
experiences, and to conflicts with our parents. Yet in 1998 Judith Rich Harris,
a psychologist who had been dismissed from her Ph.D. course at Harvard,
caused consternation among the psychological profession in America and
elsewhere by arguing in her book The Nurture Assumption that parents have
much less influence on their children than has traditionally been supposed;
what matters instead is the child’s peer group – other children. She produced
plenty of evidence to support her claim, which turned a century of Freudian
jargoneering on its head.34 As a result of Freud, there has been a strain of
thought in the twentieth century that holds, rather as in primitive societies,
that the mad have an alternative view of the human condition. There is no
evidence for this; moreover, it damages the fortunes of the mentally ill.
Robert Wright has described still other ways in which evolutionary thinking
has been used to sow further doubt about Freudianism. As he wrote in The
Moral Animal: Why We Are the Way We Are: The New Science of Evolutionary
Psychology (1994), ‘Why would people have a death instinct (‘thanatos’) [as
Freud argued]? Why would girls want male genitals (‘penis envy’)? Why would
boys want to have sex with their mothers and kill their fathers (the ‘Oedipus
complex’)? Imagine genes that specifically encourage any of these impulses,
and you’re imagining genes that aren’t exactly destined to spread through a
hunter-gatherer population overnight.’35
The muddle over Freud, and psychoanalysis, was shown starkly by an exhibition scheduled for the mid-1990s at the Library of Congress in Washington,
D.C. The exhibition was designed to celebrate the centenary of the birth of
psychoanalysis.36 However, when word o f the planned exhibition was released, a
number of scholars, including Oliver Sacks, objected, arguing that the planning
committee was packed with Freud ‘loyalists’ and that the exhibition threatened
to become mere propaganda and hagiography, ‘ignoring the recent tide of
revisionist writings about Freud.’37 When the book of the exhibition appeared,
in 1998, no mention of this controversy was made, either by the Librarian of
Congress, who wrote the foreword, or by the editor. Even so, the book could
not avoid completely the doubts about Freud that have grown as the centenary
of The Interpretation of Dreams approached. Two authors wrote papers describing
Freud’s ideas as unstable and untestable, ‘on a par with flying saucers,’ while
two others, including Peter Kramer, author of Listening to Prozac, described
them as unconvincing but conceded that Freud has been influential. It is
noticeable, for instance, that a great deal of the book was given over to talk of
Freud’s ‘industry,’ ‘courage,’ and ‘genius,’ and to arguing that he should be
judged ‘less as a scientist than as an imaginative artist.’38 Even psychoanalysts
now concede that his ideas about women, early societies of hunter-gatherers,
and the ‘Primal Crime’ are both fanciful and embarrassing. And so we are left
in the paradoxical situation that, as the critic Paul Robinson says, the dominant
intellectual presence of our century was, for the most part, wrong.
Nor did this revisionism stop with Freud. In 1996 Richard Noll, an historian
of science at Harvard, published The Jung Cult and, two years later, The Aryan
Christ.39 These books provoked a controversy no less bitter than the one over
Freud, for Noll argued that Jung had lied about his early research and had
actually fabricated dates in his notes to make it appear that patients’ memories
of such things as fairy tales were part of the ‘collective unconscious’ and had
not been learned as children. Noll also documented Jung’s anti-Semitism in
detail and criticised present-day Jungians for not wanting to put his ideas to the
test, lest they scare away potential clients.
The commercial side of Jungianism need not concern us. More important
is that, when this is taken together with Freud’s shortcomings, we can see that
psychology in the twentieth century is based on theories – myths almost – that
are not supported by observation, and is characterised by fanciful, idiosyncratic,
and at times downright fraudulent notions. Psychology has been diverted for
too long by Freud and Jung. The very plausibility of Freud’s theories is their
most problematical feature. It has taken an entire century to get out from under
their shadow. Until we can rid ourselves of our Freudian mindset, the Freudian
‘climate of opinion,’ as Auden called it, it is highly unlikely that we can look
upon ourselves in the new way that is required. Darwin provides the only hope
at the moment, together with the latest advances being made in neuroscience.”
Jammer dat niemand je citaat
Op 5 maart 2012 om 19:50 door DomiJammer dat niemand je citaat ook effectief gaat lezen. Toch bedankt.
Met verbazing las ik deel 1
Op 8 maart 2012 om 20:48 door wendy leynMet verbazing las ik deel 1 van “De individuele mythe van de psychoanalyse”.
Psychologen van de Ugent kennen blijkbaar hun eigen geschiedenis niet meer.
Niemand blijkt bekend te zijn met het baanbrekend werk van Prof Willy Decoster die ons indertijd de methodologie van De Groot en het werk van Rogers inpeperde. In dezelfde tijd waren er professoren op de 2de lijn zoals de R. Baekelmans, Stefaan Lievens, Lubbers (tijdelijk uit Nederland overgewaaid). En kwam ook Julien Quackelbeen terug uit het buitenland. Quackelbeen was voor zoverre ik zijn lessen herinner aanvankelijk vooral een fan van Rogers en Perls, hij is dus pas later psychoanalist geworden.
Een volgende generatie bestond dan uit Professoren zoals Leni Verhofstadt-Denève, Paulette Van Oost en Willemaers......
Wie spreekt over de dominantie van de psychoanalyse aan de UGent, die kent echt zijn klassiekers niet.
Psychoanalyse is NOOIT dominant geweest aan de UGent.
Ik studeerde psychologische
Op 8 maart 2012 om 21:41 door leynIk studeerde psychologische en pedagogische wetenschappen van 1971 tot 1977 aan de UGent, toen nog RUG.
In de eesrte kandidatuur hadden we een cursus algemene psychologie van Prof Paul Ghysbrecht, psychiater.
Als onderdeel van die cursus kregen we een encyclopedische inleiding in de dieptepsychologie. Voor zoverre ik me kan herinneren was dat de enige grondige kennismaking met de psychoanalyse die ik in die tijd heb gekregen. Maar Ghysbrecht was zelf niet echt een psychoanalyticus. Toch zeker niet in zijn manier van examen afnemen.
Dat de psychoanalyse aan de
Op 9 maart 2012 om 10:40 door wendyDat de psychoanalyse aan de UGent wortel heeft geschoten in de vakgroep wijsbegeerte en moraalwetenschappen heeft toch ook wel te maken met zeer persoonlijke contacten die mensen met mekaar hadden. Daar wordt met geen woord in het “Schamperartikel” over gesproken.
Ik begrijp niet waarom aan de UGent OPNIEUW een regelrechte oorlog over psychoanalyse woedt. Zowel aan de Katholieke Universiteit Leuven als aan de Université Libre de Bruxelles lijkt men geen enkele moeite te hebben om het psychoanalytisch gedachtengoed een wetenschappelijk verantwoord plaatsje te geven......
Ik vind het een zeer flauwe
Op 9 maart 2012 om 20:42 door wendy leynIk vind het een zeer flauwe grap als Stijn Vanheule zegt dat psychoanalyse vooral als een denkkader moet worden gezien. Het zwakste punt de psychoanalyse is juist haar metapsychologie daar waar ze geen poging doet om die aan te vullen/corrigeren met nieuwe bevindingen van de wetenschappelijke psychologie.
Ik was zeer benieuwd naar de
Op 9 maart 2012 om 20:42 door wouter smitsIk was zeer benieuwd naar de mening van psychologen over de psychoanalyse aan de Ugent. De analyse van Prof. Brysbaert is correct: psychoanalyse heeft altijd nauw aangeleund bij de geesteswetenschappen en in deze maatschappelijke context is geesteswetenschap en dus ook psychologie als geesteswetenschap een taboe.
Wat lastiger wordt het als je leest dat Ernst Koster de eeuwige en vermoeiende scholenstrijd weer aanwakkert door te stellen dat er meer exact wetenschappelijke evidentie is voor gedragstherapie. Dit is zo, de therapievorm sluit dan ook goed aan bij het onderzoeksmodel (RCT en evidence-based) maar voor alle duidelijkheid: het is nergens bewezen dat Evidence-based onderzoeksmethodes leiden tot de beste of betere behandelingen. Hieruit besluiten dat gedragstherapie superieur is, is onjuist. Trouwens, bewijs mij maar eens de gehele theorie van mindfulness en de boeddhistische visie op menselijk lijden die erachter schuilt. Niet dat hiermee iets verkeerd is, het werkt inderdaad maar de theorie zelf is niet bewijsbaar.
Gelukkig mag psychoanalyse dan nog een kritische stem zijn binnen de psychologie maar haar hiertoe herleiden, zoals sommige professoren lijken te opperen, is ook weer denigrerend. Ze is een volwaardige therapievorm samen met de andere klassieke kaders. Er bestaat evidentie genoeg voor psychoanalyse en ook ernstige meta-analyses tonen de werkzaamheid aan. Voor referenties kunt u terecht op de website van Stijn Vanheule over effectonderzoek. Geen rekening houden met deze evidentie staat gelijk met het leveren van onwetenschappelijke kritiek en deze verwondert mij van professoren psychologie.
Dat psychoanalyse momenteel slecht zou zijn voor het imago van de universiteit is vooral te danken aan de onterechte en ongenuanceerde kritiek vanuit de universiteit zelf, gelukkig is deze iets genuanceerder binnen de faculteit psychologie dan binnen (EEN DEEL VAN) de faculteit filosofie . Men spuit ongestaafd zijn negatieve mening zonder te refereren naar studies die aantonen dat psychoanalyse schadelijk is of niet werkzaam. Ook vergeet men graag dat zelfs “die-hard” evidence-based landen als Nederland MBT, een vorm van psychoanalyse, als een standaardbehandeling opgeven voor persoonlijkheidsstoornissen.
Helaas zorgt dit artikel voor bijkomende imagoschade in plaats van herstel, er is duidelijk sprake van een gemiste kans. Het is misschien naïef om te denken dat je bij collega’s psychologen met een ander denkkader steun kan vinden. In de klinische praktijk ligt van heel deze polemiek trouwens niemand wakker (wat is het beste) en gaat het veeleer over het hanteren van een kader dat je helpt om de problemen van patiënten te kunnen begrijpen en behandelen.Ik zou willen oproepen voor verdraagzaamheid en respect voor een klinische theorie en praktijk die al jaren haar waarde heeft bewezen en een staakt het vuren willen afkondigen in het belang van en uit respect voor patiënten die wel gebaat zijn met een psychoanalytisch behandellkader.