Waiting for the South-Africans
Gedurende de laatste week vóór het academiejaar vond er een ‘Afrikaanse Somerskool’ plaats in de Faculteit Letteren & Wijsbegeerte. De taal, literatuur en geschiedenis van Zuid-Afrika stonden daarin centraal. Drie gastprofessoren vlogen over van de andere kant van de wereld om ideeën en ervaringen uit te wisselen. Het was niet enkel academisch, maar ook menselijk en maatschappelijk een rakende ervaring.
Zuid-Afrika wordt bewoond door een complex boeket van culturen en kent een bloedige geschiedenis. Het land werd gekoloniseerd door Nederlanders en daarna door Engelsen, die stuitten op verschillende inheemse stammen. Die kenden op hun beurt ook intern conflict, wat resulteerde in wisselende allianties en meerdere oorlogen — waaronder de zogenoemde Boer Wars (‘Boeren’ was de naam voor de Nederlandse kolonisten, n.v.d.r.). In de rest van de wereld haalde Zuid-Afrika natuurlijk de meeste bekendheid door het omstreden Apartheidsregime (1948 -1994). Na de afschaffing daarvan kwam de partij van Nelson Mandela aan de macht: het ANC ofte African National Congress. Contacten met het buitenland werden weer aangezwengeld en er kwamen elf officiële landstalen. Jawel, elf. Engels en Afrikaans (dochtertaal van het Nederlands) zijn de voornaamste, de overige zijn inheemse talen zoals het Zulu of het Xhosa.
Vroeg initiatief
Op academisch vlak was onze eigenste UGent een van de eerste instellingen om weer contact op te nemen met Zuid-Afrika. Professor Dirk Coigneau van de Vakgroep Nederlandse Letterkunde, intussen met emeritaat, reisde af naar het zuidelijk halfrond om daar te gaan doceren in Stellenbosch. Daarna bracht hij zijn ervaringen mee terug en werd initatiefnemer voor het keuzevak Afrikaanse Letterkunde, dat intussen uitgebreid is met een taalkundige component. Prof taalkunde Jacques Van Keymeulen en prof letterkunde Yves T’Sjoen staan tegenwoordig in voor de lessen. Zij namen nu voor het eerst het initiatief over van professor Luc Renders (Universiteit Hasselt) om een jaarlijkse Summer School van het Afrikaans te organiseren. Derde organisator was Zuid-Afrikadeskundige Annelies Verdoolaege van de Vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen. Drie docenten uit Zuid-Afrika waren uitgenodigd: taalkundig professor Elvis Saal (Universiteit van Suid-Afrika, Pretoria), geschiedkundig professor Ciraj Rassool (Universiteit van die Wes-Kaapland) en letterkundig professor Andries Visagie (Universiteit van Pretoria). Daarnaast waren er ook lezingen door gastdocenten van Belgische en Nederlandse universiteiten, in totaal goed voor vijf volle dagen.
Vorm en inhoud
De drie Zuid-Afrikanen zijn erg opgezet met het initiatief. Veel vergelijkend onderzoek tussen Afrikaans en Nederlands is er namelijk niet in Zuid-Afrika. Prof Saal verklaart: “Studeren in Zuid-Afrika kost een pak geld. Economische belangen wegen bij studenten vaak door, dus kiezen ze niet snel voor een taal- of letterkundige opleiding. Het Engels biedt ook veel meer perspectieven dan het Afrikaans. Daarbij komt dat het Afrikaans nog steeds gezien wordt als de taal van de Apartheid.” Een misplaatst vooroordeel volgens prof Van Keymeulen, want “het Afrikaans is een gecreoliseerde vorm van het Nederlands. In mensentaal wil dat zeggen dat het vrij eenvoudig taalkundig aantoonbaar is dat het Afrikaans ooit ontstaan moet zijn bij de kleurlingenpopulatie, niet bij de blanken.” De taalsituatie ligt zelfs nog complexer. “Er bestaat een gespannen verhouding tussen het Standaardafrikaans en de verschillende dialecten. Elke bevolkingsgroep wil zich ideologisch laten gelden door haar eigen taalvormen te laten opnemen in de standaard, waardoor er enorm veel druk komt te staan op de Taalcommissie”, aldus prof Saal.
Dezelfde moeilijkheden gelden ook voor letterkunde. De literatuur zelf daarentegen kent een bescheiden opmars. Internationaal bekende auteurs zoals André Brink en Breyten Breytenbach brengen een confronterend relaas van Zuid-Afrika’s maatschappelijke problematiek. Toch vervalt Afrikaanstalige literatuur niet in louter realisme, vindt prof Visagie. “De jaren zestig tot tachtig had de generatie van de maatschappijkritiek. Nu zien we dat er meer vormexperimenten aan bod komen in de Zuid-Afrikaanse literatuur, ook in de Afrikaanstalige. Hét voorbeeld daarvan dat vaak vernoemd wordt, is Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee, maar zijn moedertaal is het Engels en hij schrijft ook in het Engels. Ook in de Afrikaanstalige literatuur schuift maatschappijkritiek als hoofdthema steeds meer op naar populariserende boeken.” Bovendien is die bloei een goede zaak in relatie met Nederlandstalige literatuur: “Jullie literatuur is voor ons een venster op de buitenwereld, omgekeerd hopelijk ook”, besluit Visagie.
In de literaire wereld zetten ze dus een stap in de goede richting, maar er is nog een lange weg te gaan. Voor prof Rassool ligt de grootste uitdaging van het Afrikaans erin om een eigen, volwaardige plaats te vinden tussen de andere landstalen en in de wereld. “Voor mij is de belangrijkste vraag: waar bevindt het Afrikaans zich in de meertalige context van ons land? Wanneer wordt de taal gebruikt in de thuissituatie bijvoorbeeld? Afrikaans moet af van het conservatisme dat er rond hangt, zodat het vrij kan gebruikt worden onder de andere talen.” De taal hier onder de aandacht brengen draagt daar eveneens toe bij, en Nederlandstalige onderzoekers hebben dan ook al stappen in de goede richting gezet. Professor Willy Martin van de Universiteit Amsterdam bijvoorbeeld heeft het jaren durende project rond ANNA geleid, het eerste volwaardige woordenboek Afrikaans-Nederlands. Studenten van de UGent worden op jaarlijkse basis uitgewisseld, thesissen worden gewijd aan Zuid-Afrikaanse thema’s (waarvan er ook presentaties waren). In zijn lezing wees Rassool er verder op dat Zuid-Afrika intussen wel een democratie is, maar dat er nog altijd een significante sociale segregatie bestaat. Zolang die bestaat en zelfs voelbaar is binnen universiteiten, blijft de taalsituatie problematisch.
Positieve discriminatie
Niettemin is Zuid-Afrika er fors op vooruitgegaan, vindt Annelies Verdoolaege. Voor haar doctoraat werkte ze daar ter plekke, en uit haar ervaring leert ze dat sommige geruchten wel eens overdreven worden. Zo zou de geïnstitutionaliseerde affirmative action (mooi woord voor bewuste positieve discriminatie) aan blanke mensen hun job gekost hebben, of ze gedwongen hebben om met vervroegd pensioen te gaan. Verdoolaege corrigeert: “Wettelijk is het enkel zo dat wanneer een blanke en een kleurling gelijke competenties voor een job hebben, de kleurling voorrang krijgt.” Het gevoel van sociale segregatie zat er toch nog in bij niet-blanke uitwisselingsstudenten een aantal jaar na de ‘bevrijding’, merkte prof Van Keymeulen. “Ze waren dat niet gewend dat ze in België bediend werden door blanken, of dat die het vuilnis ophaalden bijvoorbeeld. Ze dachten dat ze iets verkeerds gedaan hadden en verontschuldigden zich zelfs.” Positieve discriminatie is nog steeds een vorm van racisme en bestrijdt segregatie dus niet echt, maar Verdoolaege vindt het een noodzakelijke maatregel. “We mogen versteld staan dat het geweld van de omwenteling zo beperkt is gebleven en dat er geen burgeroorlog uitgebroken is. Het beleid van het ANC is best tolerant gebleven tegenover blanke Zuid-Afrikanen, ik hoop dat ze die tendens voortzetten. Je moet dat zien als een langetermijnoplossing. Een groter probleem is momenteel de corruptie van het gerecht en de politie”, stelt ze vast.
Naast banden smeden hoopt Verdoolaege ook misvattingen te doorbreken met initiatieven zoals de Somerskool. “Westerlingen zien Afrika niet als een omgeving waar een bloeiende economie kan ontstaan, een academische traditie zich ontwikkelt of een democratie houdbaar is. Het is meer dan een reisbestemming, dat geldt zeker specifiek voor Zuid-Afrika. We moeten ook hoopvol blijven in het beeld dat we schetsen, enkel negativiteit komt de welvaart niet ten goede.” Van Keymeulen is een soortgelijke mening toegedaan: “Zuid-Afrika is een enorm intrigerend land, letterlijk veelkleurig ook. Ik vind het vooral jammer dat Nederlandstaligen soms spotten met het Afrikaans, of het een lollig taaltje vinden. Bij een vorige uitwisseling kwam er een journalist langs, en het enige wat hij toen wilde weten van de gastprofessoren is of ze daar echt zo spraken. Hij wou dat maar niet geloven dat het Afrikaans een volwaardige taal is en geen komisch afkooksel van het Nederlands. Het schaamrood zakte tot in mijn schoenen, dat kan ik je verzekeren.”


