"Wij zijn er net vóór de atleten"
- editie
- 500
- categorie
- levenswetenschappen
Op 1 oktober ging de befaamde dopingjager Frans Delbeke met pensioen. Professor Peter Van Eenoo volgde hem op aan het hoofd van het DoCoLab. Een gesprek over doping, iemands aambeien en nog meer doping.


Bij het binnenkomen waarschuwt professor Van Eenoo de riooljournalist in mij meteen: “Over individuele dossiers zeg ik niks. U mag mij vragen hoe een minieme hoeveelheid clenbuterol een positieve dopingplas kan opleveren, maar over Contador zeg ik niks. Dat is de strikte WADA-regel (World Anti-Doping Agency, n.v.d.r.).”
Quatsch en kenners
Is dat waarom u niet vaak in de media verschijnt, ondanks de niet aflatende dopingberichtgeving?
“Dat heeft er inderdaad alles mee te maken. Net zoals een dokter tegen een journalist niks over jouw aambeien (bij wijze van spreken, n.v.d.r.) zal zeggen, maar wel over aambeien in het algemeen. Ook al zit je naast hem met een kussen onder je zitvlak. Journalisten zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in de individuele gevallen van Keisse of Contador. Maar ik moet ze altijd teleurstellen.”
Ergeren de zogeheten dopingkenners u dan niet? Zij mogen vrijelijk hun mening verkondigen.
“Als het totale quatsch is wel. Vaak is dat zo bij atleten. Zij mogen natuurlijk zeggen wat ze willen. Maar ik stel me dan vragen bij het werk van journalisten, die toch méér weten. Ik kan niet begrijpen dat journalisten soms bijna supporteren voor sporters opdat die hun zaak zouden winnen, terwijl die duidelijk de grootste nonsens verkopen. Maar daar moet ik mee leren leven.”
Kunnen ook procedureslagen, zoals in de zaak van Rutger Beke, u niet ontmoedigen?
“Die zijn vaak frustrerend. Voor een wetenschapper is dat juridische mierenneuken een totaal andere wereld. Maar nu wind ik mij daar niet zo hevig meer in op.”
Uw voorganger kickte op het betrappen van grote namen met een nieuwe opsporingsmethode. Hebt u dat ook?
“Namen interesseren me niet. Ik probeer mijn job zo goed mogelijk te doen. Waar ik wel op kick, is zien dat een nieuwe methode werkt en effectief is, of dat een lab in China of Roemenië ze gebruikt om atleten te betrappen.”
Maar geeft het geen bevrediging om dan in de pers te lezen dat jullie werk geapprecieerd wordt? Jullie komen immers vaker negatief in het nieuws.
“Inderdaad, maar dat geeft niet zozeer persoonlijke voldoening. Voor het DoCoLab is het moeilijk om fondsen te werven. Wij moeten ons geld vooral internationaal zoeken bij het WADA of bij het Partnership For Clean Competition. Maar daar zijn telkens nóg kleinere slaagkansen dan bij het IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie, n.v.d.r.) of het FWO (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek, n.v.d.r.), waar ze al laag zijn.”
Recent werden hier nieuwe technieken ontwikkeld die de detectielimiet voor sommige substanties met factor 40 verlaagden. Werd dat onderzoek financieel gedragen door het DoCoLab?
“Ja. Van de inkomsten van de routineanalyses betalen we ons personeel en houden we een klein percentage over aan winst. Sommige collega’s denken dat het geld hier binnenstroomt, maar dat wil ik ontkrachten. Wij hebben een winstpercentage van tien tot vijftien procent op elk staal. Die zogeheten winst moet geherinvesteerd worden in toestellen. Dat is ook de reden waarom er geen commerciële dopinglabs zijn: er moeten zoveel investeringen gedaan worden. Vorig jaar moesten we van het WADA een nieuwe machine kopen. Dat was een totaalinvestering van bijna 600 000 euro. Als je weet dat onze omzet op jaarbasis minder dan twee miljoen euro is, zie je dat ons spaargeld zo snel uitgegeven is.”
Maar die aankoop loont?
“Niet echt. Het trieste van de hele zaak is dat het toestel aangekocht werd om een tweehonderdtal analyses per jaar te mogen doen. Die analyses zijn dan ook nog eens verlieslatend. Maar we moesten van het WADA zo’n machine kopen of we mochten het lab sluiten. Dat is zelfs geen keuze meer.”
Het DoCoLab is er voor u
Sinds 1 oktober bent u hier directeur. Pakt u het anders aan dan uw voorganger?
“Persoonlijk wil ik meer onderwijs verstrekken. Met het lab wil ik ook meer op onderzoek inzetten. Onder professor Delbeke hadden we daarover nochtans niet te klagen. We zijn altijd het tweede of derde lab geweest op vlak van wetenschappelijke output, terwijl we toch een relatief klein lab zijn op vlak van personeelsbestand. Maar ik zou die wetenschappelijke output toch nog willen verhogen, met liefst enkele extra doctorandi.”
Wat is de renommee van het DoCoLab?
“Wij zijn een van de 35 geaccrediteerde WADA-labs in de wereld en het enige in de Benelux. Die accreditatie komt er pas nadat voldaan is aan strenge kwaliteitsnormen. Jaarlijks voert het WADA ook strenge controles uit op haar labs. Een foute analyse, waarbij een negatief staal door het lab positief bevonden wordt, is een onmiddellijke doodsteek voor dat lab. Een WADA-lab zijn brengt dus de nodige druk mee. Maar de keuze is simpel: een WADA-lab zijn of géén lab zijn. Nationale en internationale sportfederaties mogen hun stalen enkel door WADA-labs laten testen.”
Jullie voeren dopinganalyses uit maar doen ook onderzoek. Bestaat er een wisselwerking tussen die twee activiteiten?
“Voor ons onderzoek doen we inspiratie op uit de routineanalyses wanneer die opmerkelijke bevindingen aan het licht brengen. Maar in ons onderzoek zetten wij ook sterk in op de optimalisatie van onze opsporingsmethodes.”
Maar is het niet een tikkeltje pervers dat de inspiratie uit de routine moet komen? Zijn jullie als dopingjagers dan niet altijd een stap te laat?
“Slechts een deel van onze inspiratie komt uit de stalen. Ik schuim ook nieuwsgroepen voor bodybuilders en andere sporters af. In de wetenschappelijke literatuur kijken we of er nieuwe producten ontwikkeld worden en of er daar producten tussen zitten die voordeel kunnen opleveren voor atleten. Worden die gesignaleerd, dan proberen wij ze zo vroeg mogelijk in handen te krijgen. Ik heb bijvoorbeeld een kleine maand geleden een nieuw product op het internet zien verschijnen dat nog in de klinische fase zit. We hebben dat onmiddellijk aangekocht, onderzocht en in onze methodes verwerkt. Onze collega’s wereldwijd zijn geïnformeerd. Lopen we dan achterop? Ja, maar slechts twee weken.”
Er komt dus detectivewerk bij kijken?
“Ja, en dat is ook waarom dit onderzoek zo tof is. Dat is waarom de mensen van dit lab zo gepassioneerd werken. Juist omdat je altijd het gevoel hebt kort op de bal te spelen. Op het moment dat we hier iets onderzoeken, kunnen we een conclusie trekken. Bij pakweg een onderzoek over het gedrag van een receptor in een bepaalde cel ga je waarschijnlijk pas over vijftien jaar conclusies kunnen trekken over de invloed ervan op kankerontwikkeling. De maatschappelijke impact is bij ons, hoewel misschien minder dan bij kankeronderzoek, veel sneller op te meten. Je slaakt hier als wetenschapper voortdurend vreugdekreetjes.”
Vaak schuilt achter het wetenschappelijke dopingonderzoek toch ook een menselijk drama?
“Dat is soms confronterend. Als atleten een tegenexpertise bijwonen, zie je soms aan hun gezichten dat ze liegen. Maar soms twijfel je ook als iemand duidelijk aangedaan is. Wetenschappelijk mogen wij dan wel honderd procent zeker zijn dat de substantie in de urine zit, maar dan zit je nog met het menselijke verhaal. Hoe komt het dat de sporter niet weet dat er iets in zijn urine zit? Is het omwille van een besmet voedingssupplement? Is het gewoon uit onwetendheid?
Is het dan aan jullie om zulke atleten te helpen?
“Iemand die hier in tranen zit, proberen we te assisteren in zijn zoektocht naar het wat en waarom. Als lab zijn wij niet tegen, maar net voor de atleten. Wij pikken de valsspelers eruit, zodat zij die het correct spelen zo veel mogelijk hun kansen vergroot zien. We zijn er ook om de gezondheid van de atleten maximaal te beschermen. Dopingopsporing heeft immers een ontradend effect op het nemen van geneesmiddelen terwijl men niet ziek is. Maar we zijn er ook eenvoudigweg voor de atleten als zij met de vraag zitten hoe het komt dat ze positief getest hebben.”
Mogen jullie atleten ook op hun initiatief testen?
“Neen. Zo zouden atleten kunnen testen wat al dan niet opspoorbaar is of hoe lang iets opspoorbaar is. Ook voedingssupplementen mogen we niet meer testen voor atleten.”
Zou dat allemaal niet meer geld in het laatje brengen?
“Zeker weten. Een cipier die een oogje dichtknijpt zal waarschijnlijk ook meer verdienen dan met zijn gewone wedde. Maar dat is een ethische kwestie. Wil je je prostitueren om iets te doen wat niet hoort? Voor mij is dat duidelijk het geval niet.”
Dodelijk drankje
Wie houdt zich eigenlijk bezig met het ontwikkelen van dopingproducten?
“Dopingproducten worden heel vaak door de farmaceutische bedrijven ontwikkeld als geneesmiddelen. Maar op het moment dat zij er een patent op nemen, moet er maar een malafide persoon zijn die er doping in ziet, of het middel begint zo een ander leven te leiden. Het wordt dan nagemaakt en verkocht. Maar het is een enorm risico om zulke producten te slikken. Er worden producten op de markt gegooid die nog niet getest zijn op hun veiligheid. Dan hoor je verhalen zoals in Nederland, waar enige jaren geleden enkele mensen overleden door het drinken van een biodrankje.”
Op welke schaal gebeurt het dopinggebruik?
“Onlangs becijferde Interpol dat de markt voor doping groter is dan die voor reguliere drugs. Dat is dus big business en het is de maffia die er zich mee moeit. Dat wil zeggen dat je tegenover heel krachtige organisaties staat.”
Dat wil toch ook zeggen dat er wetenschappers zijn die aan de verkeerde kant staan?
“Zeker. Het komt zelfs heel dicht bij ons. De BALCO-zaak met onder andere Marion Jones is een van de belangrijkste dopingzaken. Men had een steroïde ontwikkeld die wij niet met onze methodes konden detecteren. Die methodes waren bekend bij mensen die heel dicht bij ons lab aanleunden. Dat waren onder andere ex-werknemers van het lab van Moskou, die na de val van de Muur naar de Verenigde Staten zijn overgelopen en daar een product hebben ontwikkeld dat wij niet konden opsporen. Dat waren mensen, niet zozeer van binnen ons milieu, maar die toch nauw aanleunden bij ons.”
Moet u dan ook op uw hoede zijn in deze wereld?
“Het is niet zo dat ik voortdurend met de daver op het lijf zit. Maar je moet inderdaad constant afwegen of je bepaalde uitspraken al dan niet doet. Ook met collega’s moet je een vertrouwensband kweken. Wat niet wegneemt dat ik van bepaalde collega’s, die hier als tegenexpert over de vloer komen en die volgens de pers ‘aan de andere kant’ zouden staan, weet dat ze hun werk zeer goed doen. (grinnikt) Niet dat ik ze de geheimen van ons lab ga verklappen.”
