Rector van de Week
- editie
- 500
- categorie
- nieuws en reportages
Ter gelegenheid van deze jubileumeditie legt Schamper de lat hoger en promoveert ze haar ‘Decaan van de Week’-award tot ‘Rector van de Week’. De gelukkige: prof. Paul Van Cauwenberge, omdat er nu eenmaal niet veel andere keus was.

Geboortedatum? “Officieel 2 april 1949, maar ik ben de eerste april geboren. Om redenen die mij nog altijd duister zijn, hebben ze mij op het gemeentehuis van Zottegem pas op 2 april ingeschreven. Hoewel ja, ‘geboren 1 april te Zottegem’ ...” (lacht)
Woonplaats? “Sinds 1986 woon ik in De Pinte, de ideale uitvalsbasis zowel voor het UZ als het rectoraat.”
Kinderen? “Drie: twee dochters van 38 en 36, en een zoon van 28. En dan nog zes kleinkinderen.”
Combinatie werk en gezin? “Laat ons zeggen dat den dezen er niet veel was en mijn twee oudsten mij niet veel gezien hebben. De oudste is geboren toen ik in het laatste jaar geneeskunde zat en de tweede toen ik in mijn tweede specialisatiejaar zat. Omdat ik vaak van wacht was, had ik ook in het weekend weinig tijd voor mijn kinderen. Gelukkig was mijn vrouw er nog. Omdat mijn zoon wat later is gekomen — acht jaar na nummer twee — en ik toen een beetje meer gesetteld was, heb ik zijn opvoeding wel van dichterbij kunnen meemaken.”
Wat wou u worden als kind? “Wel, al toen ik vijf of zes was, wou ik arts worden. Huisarts dan, want dat was de enige soort dokter die ik kende. Toen ik acht jaar was en we in Scheldewindeke gingen wonen, bleek onze buurman de huisarts van het dorp, schrijver van toneelstukken en toevallig ook burgemeester. Echt iemand naar wie ik opkeek en hij heeft me dan ook sterk geïnspireerd.
In het vijfde jaar geneeskunde verzwakte mijn idee om huisarts te worden echter sterk. Als ik zag hoe het er bij hen aan toeging ... Veel verdienen, maar van ‘s ochtends tot ‘s avonds bezig zijn en een onmogelijk leven leiden. Ik besloot dan om richting kleine chirurgie te gaan. En zo kwam ik bij neus-keel-oor terecht.”
Waarom wou u rector worden? “Zowel toen ik assistent als prof als decaan was, zat ik in de Raad van Bestuur — en met graagte. Ik was één van de weinigen van de faculteit Geneeskunde met interesse in de globale universiteit. Ik heb me dan kandidaat-rector gesteld omdat het me wel een goed moment leek. Al heb ik heel lang getwijfeld. Ik wist immers dat, mocht ik winnen, mijn leven volledig zou veranderen. Mijn vrouw was er ook niet voor te vinden. Het was pas in het laatste half uur voor de deadline dat ik mijn kandidatuur indiende.
Ik heb altijd wel van uitdagingen gehouden. Als er vroeger iets te doen was, stond ik altijd op de eerste rij. Dat is dat beestje in mij. Het waren verkiezingen voor preses van mijn jaar en plots realiseer ik mij dat ik vooraan sta om mij kandidaat te stellen, terwijl ik denk: ‘Hoe is dat nu weer gekomen?’ Ik ben nochtans een relatief schuchter iemand. ‘t Is ook niet zo dat ik voorbeelden had in mijn familie. Voor mij was er niemand die universiteit had gedaan. Een spoorweggeneratie langs de kant van mijn vader, een landbouwersgezin langs de kant van mijn moeder. Maar blijkbaar moet ik daar toch iets hebben meegekregen.”
Hoe verliepen de rectorverkiezingen? “Erg onverwacht. Ik gaf mezelf een niet al te grote kans. Marc De Clercq, mijn tegenkandidaat, was vicerector en die deed dat goed. Ik zou zelfs zeggen dat ik eerder mét hem dan tégen hem heb gekandideerd. Maar toen kwam die eerste stemronde en bleek ik 52 procent van de stemmen te halen. Met de ronden is dat percentage beginnen groeien en na vier stemmingen haalde ik de vereiste tweederde meerderheid.” (De onverwachte uitslag zou volgens de meesten de verdienste zijn van meester-lobbyist en decaan van de FPPW Geert De Soete, die destijds een ware anti-De Clercq-campagne zou hebben opgezet. Meer daarover leest u in onze archieven — o.a. in Schamper 432, n.v.d.r.).
Tevreden van het rectorschap? “Absoluut. Ik wist dat het moeilijk was, maar niet dat het zo moeilijk was. Alle problemen van de maatschappij zitten ook in de unief. Op moeilijke momenten is er maar één die de knoop kan doorhakken en dat ben jij. Een extra complexiteit is dat ik mij alles aantrek. Mocht ik dat niet doen, zou het misschien gemakkelijker zijn. Maar zo zit ik niet in elkaar.
Aan de andere kant wist ik ook niet dat het zo boeiend was. Er zijn veel deuren opengegaan die voordien gesloten waren. Politiekers kan ik zo aanspreken: de rector van Gent, die kennen ze. Vroeger kon ik naar kunst gaan kijken en iets mooi vinden, nu kan ik daar met de artiesten over praten. Ook met de zakenwereld, waar ik vroeger absoluut niet in thuis was, kom ik nu veel meer in contact — en met genoegen. Laat ons dus zeggen: boeiender en vermoeiender dan ik verwacht had.” (lacht)
Wat wil u nog bereiken als rector? “Ik heb nog tweeënhalf jaar te gaan en ik ga mijn functie zo goed als mogelijk blijven uitoefenen. Ik moet wel zeggen: het maakt een verschil dat ik niet meer verkozen moet worden. Waar ik vroeger soms aarzelde: “Zou ik dat wel durven voorstellen? Zou ik daar wel voor gaan?”, denk ik nu: waarom niet? Het ergste dat kan gebeuren is dat ze zeggen: ‘Het is niet goed.’ En oké, dan is het zo.”
Is rector het eindpunt? “Dat is een goeie vraag, waar ik ook zelf mee bezig ben. Enerzijds heb ik nu al zes kleinkinderen. Ik zou die graag iets bijbrengen, dingen bezoeken die ze niet met de ouders doen. En er gewoon mee ravotten en spelen, natuurlijk. Anderzijds gelooft mijn vrouw niet dat ik mijn dagen zal kunnen vullen met de kleinkinderen, fietsen en naar sport kijken: “Ik ken u, ge gaat weer iets zoeken om te kunnen voortdoen!” En ja, eigenlijk heb ik altijd wel zin gehad om in de olympische beweging te gaan. Het is misschien wel eens tijd dat een academicus het BOIC dirigeert.
Al hoeft dat ook niet per se. Als het lukt, dan is het goed. Als het niet lukt, zal ik waarschijnlijk veel reizen, wat ik vroeger veel deed. Dat mis ik wel wat, het uitvliegen en dan terug naar je nest keren. Het moment dat ik thuis mijn valies kan pakken om vervolgens naar Zaventem te rijden, dat doet mij wel iets.”
Grootste verwezenlijking? “Dat we de laatste jaren een identiteit gekregen hebben. Dat de studenten en personeelsleden fier zijn op hun universiteit en durven zeggen: ‘We zijn van de UGent.’ Dat was er niet in mijn tijd. En dat pleziert mij wel. Niet dat ik daar zelf echt veel aan gedaan heb — ik heb natuurlijk mijn best gedaan — maar dat is iets dat globaal gegroeid is.”
Tegenvallers? “Wat mij triestig maakt, is dat de Associatie UGent niet goed draait. We zijn een associatie, maar niet van harte, het is geforceerd. De partners hadden uiteenlopende wensen en ideeën die moeilijk met elkaar te verzoenen waren. Omdat wij de grootste partner zijn — 60% van de AUGent wordt door de unief gedragen — heeft mij dat de laatste maanden toch veel pijn gedaan en veel moeite gekost om dat weer op te lappen.”
Leukste herinnering? “Mijn optreden op de Kick-Off. (Op de Student Kick-Off dit jaar mocht PVC enkele nummertjes spelen op het hoofdpodium, n.v.d.r.) Dat was ongelooflijk. Ik weet niet hoeveel volk er stond, tienduizend misschien, maar dat was niet te beschrijven. Dat gaf echt een kick. On-ge-looflijk.
Ook sommige Dies Natalis-vieringen waren erg de moeite. Met Robert Fisk, bijvoorbeeld. Dat was schitterend, een staande ovatie. Of met Desmond Tutu, vlak voor de rectorverkiezingen. Toen Tutu wegging na het diner ‘s avonds, kwam hij bij mij om me veel succes te wensen. De dag nadien, toen ik verkozen was, kreeg ik een e-mail van Tutu met daarin: ‘Proficiat!’ Die leuke momenten, daar doe je het voor. Moest ik zo nekeer opschrijven wie ik allemaal zie op een week, je zou het bijna niet geloven.” (lacht)
Bent u gelovig? “Ik ben katholiek opgevoed en nog steeds gelovig, maar ik ben geen kerkganger meer. Wat de kerk zegt, trek ik mij absoluut niet aan. Ik kan me wel vinden in de waarden die in de Bijbel staan.”
De elf decanen vormen een voetbalploeg. Voor welke positie zou u vervanger willen zijn? “Wel, ik zou liefst de twaalfde man zijn, de scheidsrechter. Ik ben vijf jaar scheidsrechter geweest bij de Koninklijke Belgische Voetbalbond. Ik deed dat verschrikkelijk graag, maar ik ben gestopt toen ik arts werd: de zaterdag van wacht zijn en de zondag gaan fluiten, dat was er teveel aan.
En als ik echt in de ploeg zou staan: als keeper. De laatste man, die de verantwoordelijkheid op zich moet nemen bij een tegengoal. Maar als hij een goeie save doet, is het ook goed. Dat past wel bij mij.”
