De tieten van Mathilde
Elf jaar later blijven de anekdotes over. Hoe tijdens de eerste redactievergadering die ik voorzat iemand zich had verstopt. Toen ik vroeg waar Erwin was, hoorde ik van onder de vergadertafel: “Hallo Bart? Ik krijg klank maar geen beeld.”
Of hoe Tim Van der Mensbrugghe met het een of ander serieus verhaal bezig was en terugkwam met de woorden: “Het is niet gelukt. Maar ik heb iets anders. Een dubbelinterview met de tieten van prinses Mathilde.”
Of hoe op elke donderdagdeadline het krakkemikkige redactiesysteem minstens vier keer crashte. En hoe telkens als het er weer zat aan te komen, Niels tegen de zijkant van zijn computer klopte en smekend zei: “Allez, schatteke, niet crashen.” Waarna het uiteraard wel gebeurde en iemand anders — de in de Schamperkelder altijd aanwezige Maarten De Gendt bijvoorbeeld, vervolgde met: “Allez, iemand een pint?” en de computers weer aanzette.
Er waren ook de dingen die je moest leren: de verdeling van het geld tussen de verenigingen gebeurde bijvoorbeeld op een jaarlijkse vergadering. Als je niet anderhalf uur voor die vergadering in het Studentenhuis was om eens te polsen wie wat van plan was met wie, kon je daar serieus gesjareld uitkomen. Pure politiek was het. Radio Urgent is daar op die manier destijds een paar tienduizend euro kwijt gespeeld.
Uiteraard mislukte er heel wat. Stukken werden niet aangeleverd, waardoor iemand op donderdagavond een kruiswoordraadsel mocht gaan uittekenen. De week nadien hadden we een stuk te veel en besloten we om de oplossing van dat kruiswoordraadsel nooit te publiceren. Een andere keer bleken onze beeldschermen zo slecht afgesteld dat we dachten een mooie cover te maken, tot hij er bij de drukker fuchsia uit kwam. Met Ruddy Doom erop. Nog nooit zo veel bijgeleerd over het kalibreren van de kleuren op beeldschermen als toen.
Als ik die Schampers herlees, overvalt me een dubbel gevoel. Ik herinner me hoe het een klein mirakel was dat de eerste drie edities op tijd de drukker haalden. Je ziet het er nog altijd aan, moet ik erkennen. Over de laatste vier nummers van mijn Schampertijd heb ik elf jaar later een beter gevoel, al bekruipt mij nog altijd de goesting om ze helemaal te herschrijven als ik ze nu lees.
Want ja, ik heb ze ter gelegenheid van deze column allemaal nog eens doorbladerd. En toch veel moeten lachen. Boven een voorbeschouwing op de massacantus stond: “Kroniek van een aangekondigde kater — only the good die drunk”. Aan professor Brice De Ruyver, toen veiligheidsadviseur van premier Guy Verhofstadt, werd gevraagd: “U staat veel in de belangstelling. Hoe komt dit?” Antwoord van De Ruyver: “Omdat het slecht gaat in de samenleving.” Of professor Ruddy Doom die zich in een gesprek over Afrika liet ontvallen dat “cynisme de enige manier is om jezelf niet op te hangen”. Wat een vrolijke tijd was het toch. We hadden zelfs advertenties van Lernout & Hauspie.
Maar het was echt wel een vrolijke en fantastische tijd. Het was ploeteren, het was leren met vallen, tegen de muur lopen, er eens goed mee lachen, een pint drinken en weer opstaan. Maar zo is het leven. Sinds Schamper weet ik dat er maar een ding op zit: aanvaarden dat het altijd zoeken en ploeteren zal blijven. En er dan maar voor zorgen dat je dat in goed gezelschap doet, en je je ondertussen amuseert.

