Lof der Zotheid van Erasmus?
Soms bereiken ons verhalen over Europese parlementsleden die hun kinderen op skivakantie sturen met Europees — en dus ons — belastinggeld en dan steigeren er velen. Maar hoe zit het met die vakantie genaamd Erasmus?

Het Erasmusprogramma ontstond in 1987 op initiatief van de toenmalige Europese Gemeenschap. Het heeft als opzet de bevordering van de uitwisseling van studenten tussen verschillende Europese onderwijsinstellingen. De Bologna-verklaring uit 1999 uitte de doelstelling dat tegen 2020 minstens 20% van de afgestudeerden in het hoger onderwijs een buitenlandse studie van drie maanden tot een jaar zou hebben afgerond. Zo wilde ze een gemeenschappelijke Europese onderwijsruimte creëren.
Zo’n studie op verplaatsing brengt enkele evidente meerkosten met zich mee. Denk alleen al aan het transport naar je bestemming. Daarvoor bestaat er dan ook een Europees beurssysteem. In het academiejaar 2009-2010 werd er voor de toekenning ervan een onderscheid gemaakt tussen beursstudenten en niet-beursstudenten die respectievelijk €210 en €180 per maand kregen. Dat bedrag werd met €30 verhoogd indien men naar een EILC-land ging (een land waar geen Engels, Frans, Duits, Spaans of Nederlands gesproken wordt) om een eventuele taalcursus te financieren. De Vlaamse overheid vulde die bedragen aan met een subsidie van €100.
De vraag rijst of Erasmus soms niet neigt naar een gesponsord jaartje vakantie.
Het systeem biedt natuurlijk het voordeel van eenvoud en uniformiteit, maar gaat voorbij aan de verschillen tussen individuen en bestemmingen. Zo kan een beursstudent die voor een jaar naar bijvoorbeeld Slowakije gaat en die in Gent ook al op kot zat een aardige duit overhouden aan zijn of haar Europees avontuur. De Erasmusbeurs komt namelijk bovenop de Vlaamse beurs die de student al krijgt. Omdat Slowakije een lage levensstandaard heeft en dito prijzen voor voedsel en huisvesting, komt er dus geen kost bij. Je kunt die bemerking natuurlijk als kleinzerige jaloezie beschouwen omdat Erasmus volgens velen een ruimer doel dient. Het pretendeert namelijk de Europese gedachte te versterken, een meerwaarde te bieden aan opleidingen en aan de algemene vorming van een student. En hier kan niemand iets op tegen hebben. Toch?
De vraag is echter of het sop altijd de kolen waard is. Een verblijf in een ander land met een vreemde cultuur verruimt natuurlijk je horizon, laat je kennis maken met een andere onderwijscultuur, is een verrijking van je persoonlijkheid en hier stop ik met de clichés. Een Erasmusstudent krijgt door de taalbarrière vaak bepaalde privileges qua werklast en wordt milder geëvalueerd. Maar aan sommige onderwijsinstellingen leggen proffen de lat zo laag dat buitenlandse studenten met de vingers in hun neus hun jaar tot een goed einde brengen. Het extra-scolaire aspect komt zo wel heel centraal te staan. De vraag rijst of Erasmus soms niet neigt naar een gesponsord jaartje vakantie dat niets meer betekent dan een ferme hap uit een opleiding.
Er moet bijgevolg blijvend toezicht komen op de kwaliteit van het verschafte onderwijs voor alle studenten. Een eventuele homogene verhoging van de subsidiëring dient in vraag gesteld te worden. Laat het duidelijk zijn dat in veel, zoniet in de meeste gevallen de Europese ervaring wel degelijk een complementaire verrijking van zowel de studies als de algemene menselijke vorming betekent. Die toegevoegde waarde lijkt zich vandaag echter bij enkele gevallen enkel in de privésfeer te manifesteren. En laat nu net dat door publieke middelen bekostigd zijn.
