“Ik heb een zeer kwetsbaar boek geschreven”
Fundamenteel anders maar toch hetzelfde: het nieuwe boek van literaire duizendpoot Peter Verhelst doet weer veel stof opwaaien. De ene bewierookt hem, de ander begint te schuimbekken van walging. Schamper trok naar Nazareth voor tekst en uitleg en zag het licht.


Gefotografeerd door Pieter Morlion
“Vinden jullie het ook zo’n kutboek?”, werpt Peter Verhelst (°1962) ons toe terwijl wij ons installeren in zijn ruime woonkamer in Nazareth. De kritieken op Verhelsts nieuwste roman, Huis van de aanrakingen, zijn inderdaad niet mals. Critici verwijten hem hopeloos oubollig maniërisme en moreel onverantwoord estheticisme. Dat valt echter al beter mee dan de kritieken op zijn vorige roman, Zwerm (2005), waarvoor naar eigen zeggen “op voorhand een zak stront klaarstond”.
Een werk van Verhelst, of dat nu proza, poëzie of theater is, laat zich inderdaad niet gemakkelijk verteren. Huis van de aanrakingen bevat een tiental verhalen die elkaar fragmentarisch afwisselen, wat een nogal chaotisch effect teweegbrengt. Telkens wanneer je als lezer op dreef begint te komen in een verhaallijn, schakelt het boek over op een andere vertelling. Verhelst: “De opbouw ervan is niet toevallig. Ik zou makkelijk de zes novelles naast en na elkaar kunnen schrijven, bijna afgeronde gehelen waarvan je toch denkt: what the fuck hebben die met elkaar te maken? Maar door ze in elkaar te schuiven, worden ze troebel en ben je als lezer gedwongen om te beginnen na te denken. Je leesgenot wordt zo wel vriendelijk ondermijnd en telkens als je mee bent, word je onderuit gehaald, opnieuw en opnieuw. Dat is die weergaloze willekeur die telkens opnieuw toeslaat.”
Dus u wil uw lezers opzettelijk frustreren?
“Nee, dat is het niet. Alleen heb ik veel geduld. Veel mensen willen elke seconde weten waar ze zich in het verhaal bevinden. Dat heb ik niet. Misschien komt een bladzijde of hoofdstuk verder wel een antwoord. Of gewoon niet. Het is dus niet alsof ik giechelend aan mijn bureau frustrerende passages zit te schrijven. Ik geloof immers dat een kluwen van ineengeschoven verhalen voor de lezer een hogere meerwaarde kan creëren dan een mooi geordend, rechtlijnig boek.
Het is dus echt niet alsof ik enkel voor mezelf zou schrijven. Bij elke zin hou je rekening met een publiek. Ik heb ooit in een geïrriteerde en domme bui in een interview gezegd dat je me nooit op engagement zal betrappen. Dat is natuurlijk niet waar. Wat ik toen bedoelde was: gaan we niet gewoon iets drinken in plaats van een interview af te nemen. Ik zou echt achterlijk zijn mocht ik dat beweren over een boek. De volgorde van de bladzijden is meestal echt niet willekeurig. Elke zin is manipulatie.”
Houdt u dan rekening met uw publiek om hen een inzicht te verschaffen, of om juist te tonen dat er in die chaos geen inzicht te verkrijgen valt?
“Bijna een combinatie van een soort willekeur met toch ergens het geloof dat je de ultieme manier kunt vinden om over iets te praten.”
“Ik denk een beetje van de twee. Hoe je leest en interpreteert, zegt veel over jezelf en niet alleen over het boek. Ik schrijf mijn boeken zo dat je ze moet toetsen aan je eigen ervaringen van wat je gelezen hebt en hoe je leeft. Natuurlijk worden we wel van jongs af aan opgevoed met een soort betekenisdrang. Als je a hebt en dan volgt b, dan moét er wel ergens een verband tussen de twee bestaan. Zonder betekenis heeft het leven geen zin. Dat is zowat het westerse model van denken. Maar als ik naar mijn eigen leven kijk, dan merk ik toch veel gaten in dat model op.
Dat weerspiegelt zich in mijn literatuur. Sommige schrijvers, zoals Jeroen Brouwers, zijn van mening dat elke gebeurtenis een betekenis moet hebben in hun boek. Ik ben er echter van overtuigd dat alles geregeerd wordt door willekeur en die overheerst dan ook in mijn werk. Er gebeuren immers zoveel zinloze dingen die enkel betekenis hebben op zichzelf zonder dat ze in een groter geheel passen. De moeilijkheid blijft echter om mijn overtuiging te verenigen met ons verlangen naar betekenis.”
Een willekeurige zet
Die willekeur staat dan wel in contrast met het spelbord-motief in uw boek, een algemene structuur die je op alles kan toepassen. Hoe verenigt u dat dan?
“Ik weet het niet. Ik meen dat hoor. Je leert de regels van de maatschappij, en daardoor heb je soms geen flauw benul van onderliggende principes. Je kan alleen maar kennis krijgen van the bigger picture als je afstand creëert tussen jezelf en de werkelijkheid. Je blijft toch altijd hoop koesteren dat er op een dag een sluitende formule komt die alles verklaart van begin tot einde. Dat blijft een droom die ook ik heb natuurlijk, maar tegelijkertijd bedenk je dat alles evengoed totale willekeur kan zijn. En voor mij zit daar schoonheid in, schoonheid van een bijna troostende kwaliteit.”
Je hoort wel geregeld dat uw boeken vaak over hetzelfde gaan, dat dezelfde symbolen steeds terugkomen.
“Ik wil daar wel eens over discussiëren of die boeken allemaal hetzelfde zijn. Sommige ervan zijn wel vrij monomaan, tot ongeveer aan Memoires van een luipaard (2001). Daarin herneem ik elementen uit vorige boeken of werk die verder uit. Dat heeft ook te maken met mijn opvatting over het schrijverschap. Bijna een combinatie van een soort willekeur met toch ergens het geloof dat je de ultieme manier kunt vinden om over iets te praten. Stukjes worden nu eenmaal hernomen, maar telkens in een andere context waardoor ze een nieuwe betekenis krijgen. Telkens opnieuw worden zaken hernomen en telkens opnieuw probeer ik een soort ultieme vorm te vinden. Iets wat altijd mislukt natuurlijk. Maar zo ontstaat er wel één grote olievlek waarin alles heel verwant is aan elkaar.
Toch is het niet zo dat er één onderliggende formule is. Veeleer gaat het mij om de tegenstelling tussen symbolisch en diabolisch. Toen ik klein was, kregen we van de pastoor een donderpreek over het verschil tussen beide. Een symbool was eenduidig en had maar één betekenis. Versplintering is diabolisch en de belijdenis daarvan zou leiden tot het vergaan van de wereld. Maar dat is nu net wat me interesseert: wat gebeurt er als je één letter in een formule verandert. De eenduidige symbolen worden op die manier juist diabolisch. Al die toespelingen in Zwerm over het getal 666 en het diabolische hebben dus ook te maken met die uitwaaiering van terugkerende symbolen. Ik bedoelde dat voor alle duidelijkheid allemaal ironisch, want er zijn mensen die geloven dat ik meende wat ik toen schreef.
Toch was Zwerm in grote mate een afrekening met die ‘formule’. Huis van de aanrakingen vind ik dan ook iets fundamenteel anders. Natuurlijk bevat het nog steeds mijn zogeheten zintuiglijk schrijven — ik heb ook maar één hoofd en lichaam. Maar het boek is toch minder destructief.”
Van explosief naar implosief
Het universum van Verhelst mag dan wel een sterke uniformiteit vertonen, toch kunnen we bij Huis van de aanrakingen over een zekere verandering spreken. Een eerste verandering is dat de pijlers van dit boek geïnspireerd zijn op de Oosterse kunst. Er is enerzijds de voortdurende beweging van de reïncarnatie. Anderzijds suggereert Verhelst voortdurend parallellen tussen bewegingen in de natuur en in de maatschappij. Een school vissen troept samen wanneer ze bedreigd wordt net zoals een land zijn grenzen afsluit en de ander probeert op te nemen.
Een tweede verandering is dat het boek niet eindigt in een sfeer van complete vernietiging, en zelfs momenten van troost brengt. Verhelst: “Het Icarus-principe speelt niet meer mee. Er is niet langer de opbouw naar een vorm van totale perfectie die niet anders kan eindigen dan in de zelfvernietiging. De vorige boeken waren bijna als een tragedie van Shakespeare: veel personages bleven er op het einde niet meer over. Hier is er meer mededogen met de personages; ze eindigen bijna allemaal in een staat van glimlach. De gevoelens zijn dan ook humaner in dit boek en niet langer enorm hevig of hysterisch. Het boek plooit af en toe op zichzelf terug. Met alle problemen vandien, want het blijft zeer kwetsbaar daardoor.”
Ook stilistisch is er een verandering. Waar uw oudere boeken een bijna explosieve stijl hadden waarin het ene fragment het andere opvolgt in een snel tempo, leest dit boek enorm traag.
“Dat klopt. Hier spreekt de invloed van het theater. Ik heb enorm veel geleerd door te werken met dansers. Acht jaar geleden moest ik op bezoek bij de choreograaf Wim Vandekeybus. Omdat ik twee uur te vroeg was, zag ik de opwarming van de dansers. Ik werd toen volledig gefascineerd door de traagheid waarmee dat gebeurde, maar ook door hun bewustzijn van het lichaam. Dat staat natuurlijk in contrast met bijvoorbeeld Tongkat (1999) of mijn vroegere poëzie. Dat was explosief. Dit is veel meer imploderend.”
U bent onlangs de nieuwe stadsdichter van Gent geworden. Daarvoor startte u het Dromenvanger-project op, waarbij u Gent vraagt om hun dromen op te sturen. Hoe vlot het en wat bent u juist van plan?
“Niet goed, jong. Voorlopig heb ik nog steeds te weinig materiaal. Er zijn nog maar een 150-tal inzendingen, terwijl ik toch hoop op een paar duizend. Volwassenen willen vaak hun schrijverstalent etaleren en dat is niet de bedoeling. Kinderen sturen wel fantastische dingen door. Zij beschrijven hun droom zoals die is: een opeenvolging van korte beeldflitsen, ruw materiaal. Veel kinderdromen heb ik nog niet gekregen, dus daar zal ik meer naar op zoek gaan. Ik moet ook eerlijk toegeven dat ik er tot nu maar weinig tijd voor gehad heb. Ik ben nu ook aan het recupereren na mijn theaterstuk Julius Caesar, ik ben moe. Samenwerken met mensen, dat is slecht voor je immuniteit.
Toch blijf ik overtuigd van de zin van het project: dromen verzamelen en verspreiden over de stad. Ik denk echt dat mensen die zullen lezen en daarin zaken zullen herkennen waardoor het een vreemd of helend effect kan veroorzaken. Volgens mij bestaat er immers zoiets als een dromenreservoir. Hoe ik het allemaal juist ga aanpakken, moet ik nog wat verder uitzoeken. Ik ben immers niet zo organisatorisch begaafd.” (lacht)
