Biofilmpjes kijken bij de Farmaceutische Wetenschappen
- 481
- editie
- wetenschap
- categorie
- farmacie
- interview
- microbiologie
- UGent
- sleutelwoorden
- Heleen Nailis
- personen
- FFW
- organisaties

Deze keer gingen we langs bij Heleen Nailis, doctoraalstudente aan de faculteit Farmaceutische Wetenschappen. In het laboratorium voor farmaceutische microbiologie verricht ze onderzoek naar Candida albicans. Deze schimmel is bij het grote publiek bekend door haar verblijf in de vagina, waar ze het af en toe te bont maakt als aanstichter van vervelende jeuk. Een groter probleem is dat ze zich graag nestelt op prothesen en ander medisch materiaal, waardoor ze gevaarlijke infecties kan veroorzaken.
U maakt deel uit van de onderzoeksgroep Farmaceutische microbiologie. Wat maakt jullie onderzoeksgroep “farmaceutisch” in vergelijking met andere microbiologische labo’s op andere faculteiten?
“De gewone microbiologie handelt meer over classificatie of over fundamentele moleculaire biologie. Wij proberen ons op andere aspecten toe te spitsen, zoals pathogene micro-organismen en resistentie tegen geneesmiddelen. Onderzoeksdomeinen met een medisch of farmaceutisch aspect.”
U verricht onderzoek naar Candida albicans, een schimmel die normaal onder andere de mond, de darm en de vagina koloniseert, maar soms vrij ernstige infecties veroorzaakt. Hoe bent u bij C. albicans als onderzoekssubject gekomen?
“Candida is een hot topic in de microbiologie. Als je kijkt naar het domein van de Fungi is ze zeker de “numero uno”. Voor ik aan mijn doctoraatsonderzoek begon waren er hier al mensen bezig met onderzoek naar Candida. Daar was vraag naar vanuit de medische sector. Candida veroorzaakt infecties gerelateerd aan biofilms. Een biofilm is een aggregatie van schimmelcellen die samen oppervlakken koloniseren, zoals medische implantaten. Het probleem van die biofilms is dat ze zeer resistent zijn tegen antibiotica. In het labo hier is men eerst begonnen met de detectie van Candida in bloedstalen en op medische prothesen. Vervolgens is men dan overgeschakeld op fundamenteel onderzoek naar de schimmel. Candida is een opportunistische ziekteverwekker. Dat wil zeggen dat ze standaard in onder andere de mond en darm aanwezig is, en enkel infecties veroorzaakt als bepaalde omgevingsfactoren veranderen. Dat veroorzaakt vooral problemen bij kankerpatiënten en bij mensen met een verzwakt immuunsysteem zoals aidslijders. Bij hen zie je aantasting van de slijmvliezen. Aan de andere kant heb je ook nog de vaginale infecties, die meestal het gevolg zijn van een antibioticumtherapie.”
Welke stappen doorloopt u tijdens uw onderzoek, hoe pakt u uw onderzoek aan?
“In eerste instantie heb ik verschillende modelsystemen opgesteld om biofilms in laboratoriumcondities te kunnen kweken. Mijn in vitro-modelsystemen waren gebaseerd op biofilmgroei op siliconenschijfjes, aangezien silicone het materiaal is waaruit medische prothesen gemaakt worden. Als in vivo-modelsysteem heb ik gekozen voor ratten. Door kleine stukjes met Candida geïnfecteerde katheter in ratten aan te brengen kan de biofilmvorming in vivo bestudeerd worden. Daarna heb ik een methode op punt gesteld om genexpressieniveaus in biofilms te meten. Mijn interesse ging onder andere uit naar genen die betrokken zijn bij biofilmvorming en –resistentie. Op dit ogenblik bevind ik mij in de laatste fase van mijn onderzoek. Mijn doctoraatsscriptie is geschreven en binnenkort moet ik mijn openbare verdediging doen.”
Farmaceuten blijven toch een beetje de pillendraaiers van deze wereld. Leidt uw onderzoek tot de ontwikkeling van betere geneesmiddelen tegen Candida?
“Het grote probleem van biofilms is dat ze resistent zijn tegen de medicijnen die nu gebruikt worden. Uiteraard resulteren die medicijnen niet in een geschikte therapie om de infectie afdoende te bestrijden. Vandaar dat er een nood is aan nieuwe geneesmiddelen. Met mijn onderzoek identificeer ik genen en bijbehorende eiwitten die als moleculaire targets voor nieuwe geneesmiddelen kunnen dienen.”
Fuifbeest met late roeping
Farmacie staat in de lijstjes geboekstaafd als de opleiding die het meeste garantie biedt op werk, voornamelijk dan voor jobs in een apotheek. Toch bent u in het onderzoek beland. Waarom heeft u eigenlijk voor de opleiding farmacie gekozen? Wou u apothekeres worden, of was u van bij de start al gebeten door de onderzoeksmicrobe?
“Het oorspronkelijke doel was om een wetenschappelijke opleiding te volgen. Ik wou hoe dan ook een diploma dat me zekerheid kon bieden op werk. Tijdens mijn studies ben ik me beginnen interesseren in onderzoek, en zo ben ik erin terechtgekomen. Mocht ik nu opnieuw kunnen kiezen, zou ik gaan voor biotechnologie of bio-ingenieurswetenschappen. In de farmacie heb je veel chemische en farmaceutische vakken. De echt fundamenteel biologische vakken ontbreken echter. Ik heb me wat moeten inwerken in de moleculaire biologie en biotechnologie, omdat mijn onderzoek zich eerder situeert in de fundamentele biologie dan in de farmacie.”
Doctoraalstudenten zijn vaak tijdens hun studies al hoogvliegers. Anderzijds zijn er ook studenten die al fuivend hun studentenjaren doorbrengen, pas tijdens hun laatste jaar het licht zien en dan maar op goed geluk een doctoraatsaanvraag indienen. Waar zou u zichzelf indelen?
“Als ik enkel de eerste jaren beschouw zou ik mezelf eerder indelen bij de fuifbeesten. Tijdens mijn thesis in het vierde jaar heb ik mijn onderzoeksroeping ervaren. De laatste twee jaar van mijn studies leefde ik toe naar een doctoraat. De meeste afgestudeerden gaan voor een job in de apotheek, de zogenaamde officina. In mijn laatste jaar moest ik, net als al de anderen, stage lopen in de apotheek.”
“Als het regent buiten, zit ik hier goed”
Was dat dan met tegenzin, die stage in de officina?
“Echte tegenzin was er niet. Ik wist wel op voorhand dat de apotheek niet het decor van mijn droomjob vormde. Ik had al door dat ik de weg van het wetenschappelijk onderzoek zou inslaan. Tijdens die stage zag ik het vermoeden bevestigd dat een leven als apotheker niet aan mij besteed is.”
Open toekomst
Microbiologisch onderzoek naar een schimmel klinkt als een werkje dat zich vooral in het labo afspeelt. Vindt u het eerder een voor- of een nadeel dat uw werk zich in een beperkte omgeving afspeelt?
“Uiteraard is dat ergens een nadeel, zeker als het mooi weer is buiten. Je zit dan met bunsenbranders binnen terwijl het buiten dertig graden is. Als het regent buiten, zit ik hier natuurlijk goed (lacht).”
Via welke weg wordt u gefinancierd?
“Ik ben assistent. Ofwel werk je als assistent, en heb je zes jaar om je doctoraat te behalen, ofwel werk je via een beurs, en moet je de klus in vier jaar klaren. Als assistent moet je uiteraard wel een bepaalde bijdrage aan de universiteit leveren. Dat betekent dat je naast experimenteel werk ook nog les geeft of aan maatschappelijke dienstverlening doet. Een voorbeeld van dat laatste is dat farmaceutische bedrijven bij ons komen aankloppen om de microbiologische zuiverheid van preparaten te laten analyseren. Mijn loon wordt betaald door de universiteit. Extra geld voor experimenteel werk bekom je via onderzoeksfondsen.”
Hoe ziet u uw toekomst na het behalen van uw PhD-graad? Wilt u uw academische carrière verder uitbouwen, of kiest u voor de centen van de “privé”?
“Daar ben ik nog niet uit, ik zal er nog grondig over moeten nadenken. Ik wil zeker onderzoekswerk blijven doen, hetzij in de academische omgeving , hetzij in de bedrijfswereld. Ik ga mijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt eens overlopen vooraleer ik een definitieve beslissing neem.”
Mocht u ooit de kans krijgen om prof te worden en te doceren aan de unief, zou u die kans grijpen?
“Dat weet ik nog niet op dit ogenblik. Als je een academische carrière ambieert, moet je op termijn prof worden om een permanente onderzoekspositie te verkrijgen. Als postdoc kan je niet zomaar ergens research blijven doen aan de universiteit. Als ik beslis om in de universitaire wereld te blijven, zou dat eventueel kunnen leiden tot een professorschap.”
