"Ik ben allesbehalve cool"
Met een vette Yee-haw en een ronkende Ow-right rolden Jon Spencer en Matt Verta-Ray in 2005 hun eerste plaat los uit de golfplaten garage waar ze hun onweerstaanbare rockabilly brouwden. Drie jaar later staan ze in de Magdalenazaal in Brugge, en Schamper ging een kijkje nemen.
De twee koersbepalers bij de groep, Jon Spencer (sinds de jaren ’90 bekend van zijn wilde bluespunk met The Blues Explosion) en Matt Verta-Ray (voorheen zinderend gitarist bij groepen als Speedball Baby en Madder Rose) zijn die avond elkanders antipoden in de omgang. Een vermoeide (Heavy Trash deed de dagen daarvoor zowel Japan als Duitsland aan) Spencer is ietwat stuurs, terwijl Verta-Ray met twinkelende ogen honderduit praat over zijn favoriete gitaarhelden.
Het is een weinig originele vraag, maar in de Blues Explosion heb je geen basgitaar, in Heavy Trash wel. Merk je dat de bas een verschil maakt bij het songschrijven?
Het belangrijkste verschil is dat ik bij Heavy Trash liedjes schrijf met Matt Verta-Ray, en in de Blues Explosion met Judah en Russel. Dat is voor mij het grootste verschil. Verschillende schrijfsituaties. Los daarvan denk ik dat Heavy Trash een groep is die sterker leunt op traditionele muziek. Bovenal rockabilly, maar ook country & western en blues.
Under the Waves bespeelt een vergelijkbaar thema als Hey Joe van Jimi Hendrix, waarbij je je geliefde neerschiet omdat die je bedrogen heeft. Een thema uit oude westernsongs. Vind je het interessant om de hedendaagse realiteit met de overleveringen van vroeger te vermengen?
Ja, het is zoals je zegt, gebaseerd op die oudere cowboynummers. Sommige mensen noemen het een murder ballad (grijnst). Het gaat over gebroken harten en moord, dus Under the Waves haalt veel uit een traditioneel type nummer.
Maar je vermengt het met moderne...
Ik weet het niet, ik ben niet zeker wat het moderne element is (lacht). Misschien ligt dat meer in de sound... Maar tekstueel vind ik het erg traditioneel.
Ik vond het treffend hoe de zanger, die zijn geliefde neerschiet, daar niet echt gelukkiger van wordt. “Under the Waves / I find my watery grave,” zing je. Dus hij is ook...
… doomed, yes. Het is een nummer over de dood from beyond the grave. De persoon, de zanger is dood.
Jullie spelen vanavond in een kleine zaal...
Dit is vrij groot, voor ons.
Ik dacht dat de rockabilly hier meer underground was en je in de Verenigde Staten voor een groter publiek speelde.
Nee, zeker in de Verenigde Staten spelen we for very small crowds. In Europa spelen we voor meer volk, en dit is voor ons echt wel een vrij grote zaal. Ik weet niet echt veel over de rockabillyscene, en Heavy Trash is niet echt zuivere rockabilly. We worden sterk geïnspireerd door rockabilly, and I love it, maar klassieke rockabilly, nee.
Hoe zou je jezelf dan omschrijven?
We zijn een beetje raar, geloof ik. We zijn geen echte, pure rockabilly, maar we spelen ook geen heavy metal-rockabilly.
Ik sprak ooit met de Seatsniffers, nadat ze in de Verenigde Staten getourd hadden. Ze vertelden hoe de mensen in de States veel makkelijker dansen, en enthousiasme voor de muziek tonen. Zeggen ze dat omdat het gras altijd groener is aan de andere kant?
Misschien verklaart dat deels die opmerking, ja. Voor mij, voor deze band én voor de Blues Explosion merk ik veel meer waardering in Europa.
Omdat jullie Amerikaans zijn?
Ja, misschien. Ik weet het niet. Het is moeilijk om dat te zeggen. Amerika lijkt haar eigen muziek niet echt te koesteren. Rock & roll, jazz, ...
Je bent de zoon van een professor. Je muziek is soms speels, jazzy bijna. Ik spreek in stereotiepen, maar als ik aan een professor denk, denk ik automatisch aan een grote jazzcollectie.
Mijn ouders waren niet echt te vinden voor populaire muziek. Ze waren erg verknocht aan opera en klassieke muziek. Terwijl ik opgroeide, heb ik daar erg veel van meegepikt. Dat werd bij ons thuis erg veel gespeeld. Jazz en populaire muziek sprak hen niet erg aan. Ik had een oudere broer en zus, en zij luisterden soms naar pop. Geen van beide waren erg enthousiaste platenverzamelaars.
Hoe ben je dan in de ban van de rockabilly geraakt?
Moeilijk te zeggen. Dat was lang nadat ik het huis uit was, denk ik. Op het einde van de jaren ’80 leerde ik een band uit Columbus, Ohio kennen: The Gibson Bros. Zij speelden een soort rockabilly vermengd met punkblues. En ik had bands zoals The Cramps en The Gun Club gehoord, dus er waren wel dingen die ik daarvoor al kende. Maar door te luisteren naar The Gibson Bros, door ze live bezig te zien, en door daarna Jeffrey Evans en Don Howland persoonlijk te leren kennen, they turned me on to a lot of stuff.
Je stembuigingen in bepaalde liedjes doen sterk denken aan Charlie Feathers.
Ja, ik hou erg veel van Charlie Feathers. Hij is waarschijnlijk mijn favoriete rockabilly-artiest. Dus ik heb er zeker veel van overgenomen.
Een aantal liedjes zijn erg nauw verwant aan een aantal standaardwerken uit de jaren ’50. Crazy Pritty Baby bijvoorbeeld doet erg denken aan de Summertime Blues van Eddie Cochran, terwijl de kleur van That Ain’t Right dan weer herinneringen aan Johnny Cash oproept.
Matt (gitarist van Heavy Trash, nvdr) en ik houden van Ed Cochran en Johnny Cash. Ik denk dat het voortvloeit uit jaren en jaren luisteren naar Eddie Cochran en Johnny Cash, maar het is niet dat we zeiden: “Oh, let’s write a Johnny Cash song!” Maar de invloed is er zeker wel, en we zijn die artiesten erg veel verschuldigd.
Matt en jij vormen in Heavy Trash een songwritersduo dat erg bepalend is voor de richting en de klank van de groep. Keith Richards ontmoette Mick Jagger op het perron, terwijl die laatste een stapel platen van Muddy Waters onder z’n arm had. Hebben jullie een vergelijkbaar verhaal?
Ik kan me eigenlijk niet herinneren wanneer ik Matt voor het eerst ontmoet heb. Maar Matt en ik leven al jaren in New York City, en we hebben beiden in bands gespeeld. En op een zeker punt speelde zijn band... Wij hebben samen optredens gespeeld, Speedball Baby en de Blues Explosion. Ik kan me de eerste ontmoeting niet herinneren, maar ik heb altijd erg genoten van Matt en zijn gitaarklank. Het is iemand die ik als persoon erg waardeer, en we zijn beiden rockabillyfans. Dus Heavy Trash was our opportunity to, you know, explore that music.
In de Blues Explosion ga je graag al eens zingen over politiek controversiële zaken. Op Damage heb je bijvoorbeeld Hot Gossip dat je samen met Public Enemy gemaakt hebt. Het valt me op dat je politieke nummers nooit echt specifiek zijn. Je lijkt altijd boos te zijn over een heel aantal zaken.
Het ding is, dat liedje is zeker geïnspireerd door de toenmalige aanloop naar de tweede Irakoorlog, die nog steeds voortduurt. Het werd geïnspireerd door mijn gevoelens als burger van New York, iemand die 9/11 meegemaakt had. Een burger die zich heel erg gefrustreerd en woedend voelde door te zien hoe die gebeurtenissen daarna gebruikt werden als een middel om een oorlog te beginnen. Het liedje komt dus uit een erg specifieke, persoonlijke plek. Maar, persoonlijk ben ik er altijd erg voor behoed een nummer te schrijven dat te specifiek is. Hier bijvoorbeeld over politiek.
Omdat je geen mensen bij voorbaat wil afschrikken?
Nee, ik maak er me geen zorgen over of mijn boodschap te ruw is of iemands politieke overtuigingen schoffeert. Ik heb er geen probleem mee om te zeggen: dit is waar ik in geloof. Wat ik probeer te zeggen, is dat wanneer je een liedje schrijft dat rond één welbepaald thema draait – in dit geval de aanloop naar de Irakoorlog – het over een aantal jaar geen weerklank meer zal vinden. Dus probeer ik het wel over het onderwerp te hebben, maar dan in a more general way. Zodat het nummer langer meegaat dan de oorlog. Hoewel de oorlog nu toch ook al een tijdje bezig is (lacht).
Maar mensen zingen al zo lang tegen die oorlogszuchtige elites.
Het is niet dat ik denk dat nummers schrijven, zingen en opnemen enige verandering zal creëeren. Zoals ik al zei, het nummer komt uit een erg persoonlijke plek, uit mezelf en mijn woedes en frustraties. Vanuit mijn identiteit als burger van New York en de Verenigde Staten. So I don’t fool myself, you know, ik denk niet dat ik veel zal veranderen. Maar ik hoop wel de frustratie in mezelf enigszins te verlichten. En misschien kan ik ook wat kracht geven aan anderen.
In sommige liedjes zing je over gebroken harten, in andere stel je jezelf voor als ‘Mr. Loveless’. Is dat opzettelijk, of schrijf je vanuit eigen ervaringen?
Sommige liedjes komen voort uit hartzeer, verlies en verdriet. Andere liedjes dan weer zijn gebaseerd op ervaringen die ik dan vermeng met fantastische elementen. Zo heb ik zelf nog niemand vermoord (lacht). (verwijst naar het liedje ‘Under the Waves’, nvdr). Niet alles is waar, het is leuk om te doen alsof en een dramatische rol te spelen.
Welke rol speel je dan in The Loveless? Mr. Cool?
Nee, ik ben allesbehalve cool.
Een opmerkelijk liedje is Gatorade (waarin Spencer het heeft over de kunst van het beffen, nvdr). Hoe kwam je erop?
(lacht gegeneerd, is lang stil, nvdr) Ik weet het niet. Het liedje schreef zichzelf. Het meeste ervan is waar. Matt zegt dat het hem doet denken aan een verhaal van Charles Bukowski, een Amerikaanse schrijver. Nuja, hoe kwam ik erop? Ik dacht alleszins niet ‘daarover wil ik nu een liedje schrijven’. It just happened, you know.
Is Heavy Trash nu echt je ding of horen we in de toekomst nog van The Blues Explosion?
In de herfst is er een compilatie uitgekomen van The Blues Explosion, maar momenteel hou ik me bezig met Heavy Trash. We zien wel wat er verder gebeurt.
Exit Spencer, en Matt Verta-Ray struint losjes de kleedkamer binnen.
Wie naar Heavy Trash luistert, denkt meteen aan Chuck Berry en Scotty Moore. Maar zijn ze ook echt een invloed voor je geweest?
Ja, allebei. Ik ben een grote fan van Chuck Berry en wou dat ik kon spelen als Scotty Moore (lacht). Verder heb je Cliff Gallup van Gene Vincent’s band, Paul Burlison uit de Johnny Burnette Trio, en ik hou enorm veel van Django Reinhardt. Er zijn nog steeds zaken die hij doet waarvan ik absoluut niet snap hoe hij ze klaarspeelt. De manier waarop Buddy Holly speelt, vind ik ook leuk. En Linc Ray is my all-time hero.
Maar ik kan wel begrijpen dat veel mensen Scotty Moore in onze muziek horen, ook al speel ik niet zoals hem. Maar ik heb wel dezelfde gitaar, een fifties’ Gibson ES-295.

