Bloemetjes plukken met Patrick Loobuyck
- editie
- 460
- categorie
- alfawetenschappen
Patrick Loobuyck heeft overal gezeten. Hij begon als godsdienstwetenschapper in Leuven, verloor zijn geloof en trok naar Gent om moraal te studeren. Vanaf volgend jaar doceert hij voltijds aan de UA. Een interview.

Hoe kwam je erop, indertijd, om godsdienstwetenschappen te gaan studeren?
Ik was voorbestemd om ingenieur te worden. Ik deed acht uur wiskunde. Dat lukte best, tot ik in het laatste jaar wat schoolmoe werd. Ik wou wel verder studeren, maar het mocht alleszins niks zijn dat met wetenschap te maken had. Ik was toen nog gelovig en actief in de pastoraal van mijn school, en iemand tipte me om godsdienstwetenschappen te gaan studeren. Tijdens mijn laatste jaar heb ik dan een paar lessen gevolgd en ik vond dat meteen zeer interessant, dus ik ben er voor gegaan.
Maar daarna ben je moraalwetenschappen gaan studeren. De opleiding beviel je dus niet?
In het tweede jaar van de godsdienstwetenschappen ben ik mijn geloof verloren. Ik twijfelde toen al om te stoppen en iets anders te doen. Tegelijk vond ik levensbeschouwing nog steeds interessant, en zat ik daar echt in een goede omgeving – ik ben nog praeses geweest van de studentenkring van mijn richting. Dus ben ik maar daar gebleven en heb ik de richting afgemaakt. Maar in de pastoraal gaan of godsdienstleerkracht worden was vanzelfsprekend uitgesloten. Zo komt het dat ik dan maar de vrijzinnige tegenhanger van godsdienstwetenschappen ben gaan studeren: moraalwetenschappen. De meeste proffen in mijn laatste jaar waren daarvan op de hoogte en men vond me maar een rare kwiet. Ik heb ook mijn lerarenopleiding nog gevolgd, toen, en godsdienstles gegeven terwijl de inspecteur wist dat ik het jaar daarna moraal zou gaan studeren.
Hier in Gent beginnen was geen sinecure. Ik moest heel wat inleidende vakken opnieuw doen: de equivalenten uit Leuven golden om één of andere bizarre reden niet, al kon ik verder wel zoals iedereen het verkorte programma van drie jaar volgen. Nadien wou ik les geven in de zedenleer, maar dat bleek moeilijker dan verwacht. “Met uw achtergrond denkt u toch niet dat u het vak zedenleer kan geven?”, zei men mij. Ze stelden me toen voor om mijn aggregaat opnieuw te doen en ditmaal in de zedenleer, maar dat bleek onmogelijk: je kan maar één keer aggregeren. Professor Raes suggereerde me nog om naar de Raad van State te stappen. Het zou zeker een interessante case zijn, maar ik heb het niet gedaan. Maar zedenleer geven kon dus niet meteen.
Uiteindelijk ben ik dan maar in de academische wereld gebleven. Volgend jaar kan ik aan de slag als professor in Antwerpen.
Geloof en de staat
Je gelooft niet meer, maar tegelijk ben je niet te vinden voor een ‘secularistische’ staat. Hoezo?
Ik denk dat je een onderscheid moet maken tussen persoonlijke handelingen en die van de overheid. Als persoon kan je ervan overtuigd zijn dat religie irrationeel is en dat een samenleving waarin zo weinig mogelijk mensen fundamentalistisch religieus zijn, wenselijk is. En zulke personen mogen zich dan ook gerust verenigen in het middenveld en ageren tegen religie — zoals vrijzinnige verenigingen doen.
Anderzijds heb je het niveau van het politieke. De overheid mag volgens mij geen uitspraken doen over de waarheid of waarde van bepaalde levensbeschouwingen. Het is dus ook niet aan de overheid om een hoofddoekenverbod op te leggen. Dat is eenvoudigweg niet het werk van de staat. Maar, nogmaals, dat impliceert niet dat je op het terrein of als mens er niet van overtuigd mag zijn dat religie irrationeel is en dat bestrijden.
Een staat legt toch sowieso bepaalde waarden op? Waar ligt de grens?
De staat moet niet proberen om een visie op het goede leven op te leggen aan mensen. Er zijn bepaalde zaken die elke mens als mens nodig heeft om de kans te krijgen een aangenaam leven te leiden. Dat is waardegeladen, maar daarover is wél consensus: iedereen wil gezond zijn en een inkomen hebben, iedereen is gebaat met gelijke kansen en wil als persoon gerespecteerd worden. Daarentegen is niet iedereen ervan overtuigd dat we beter zouden zijn zonder religie.
Natuurlijk is er steeds een grijze zone. Zo kan je Jean-Marie Dedecker wel eens horen fulmineren tegen het gezondheidsfascisme, vooral als het over roken gaat: de overheid zou mensen onterecht verplichten gezond te leven. Daarover kan gediscussieerd worden.
Het leven van een dromer
Allan Bloom verweet die Rawlsiaanse visie dat ze iemand die heel z’n leven bloemetjes plukt evenwaardig acht aan een groot filantroop.
De neutraliteit van de overheid die ik bepleit mag je zeker niet zien als een volledige ethiek. Ik hang een liberale politieke filosofie aan waarin iedereen zo vrij mogelijk is, en daarvoor heb ik zowel morele als pragmatische redenen. We stellen in onze maatschappij de facto een waardenpluralisme vast en we moeten daarmee leren omgaan. Opvattingen van het goede leven van overheidswege opleggen aan mensen is zowel niet effectief als immoreel.
We leven in een seculiere samenleving waarin de meeste mensen, laat ons eerlijk zijn, levensbeschouwlijk onverschillig zijn.
Dat heeft niks te maken met mijn persoonlijke ethiek. Dat de overheid neutraal moet zijn, betekent niet dat haar burgers er geen morele en levensbeschouwelijke opvattingen zouden mogen op nahouden. Ik ben dus als mens niet neutraal of relativistisch. De nuance is dat ik mijn persoonlijke visie niet politiek probeer op te dringen. Als Rawls het leven van een dromer even interessant zou vinden als dat van een filosoof dan zou hij toch nooit zelf filosoof zijn geworden?
Is dat niet waarom bijvoorbeeld uzelf en Etienne Vermeersch naast elkaar praten in het hoofddoekendebat: u bekijkt alles praktisch, hij theoretisch?
Wat ik inderdaad merk, is dat Vermeersch, maar ook bijvoorbeeld Geert van Istendael, het religieuze debat proberen te herleiden tot een soort theologische discussie: over hoezeer de Koran wel niet immoreel is, het gebrek aan criteria om passages uit religieuze teksten al dan niet als symbolisch te beschouwen en zo verder. Op dat niveau hebben ze gelijk en stellen ze pertinente vragen. Maar dat is niet aan de orde in het politieke debat. In de politiek moet men oplossingen proberen te zoeken die voor iedereen werken en met iedereen rekening houden.
Maar het belangrijkste verschil met Vermeersch en anderen die het hoofddoekenverbod voor stadspersoneel verdedigen is dat ik eerder vertrek van de idee ‘pluralisme waar het kan, neutraliteit waar het moet’. En ik zie geen reden waarom de persoon die mij een vergunning voor mijn terras afgeeft levensbeschouwelijk neutraal gekleed moet zijn als zijn of haar dienstverlening maar adequaat is.
Actief pluralisme
Met iedereen rekening houden — het status quo.
Ik denk van niet. Liever dat religieuze stromingen zich kunnen mengen in het publieke debat dan dat ze verbannen worden naar achterkamertjes. Zo creëer je ‘liberale’ gelovigen die ook het politieke werk en de democratie ernstig nemen.
Nuja, van interreligieuze dialoog moet men ook niet te veel verwachten. De meeste mensen, laat ons eerlijk zijn, zijn levensbeschouwelijk onverschillig. Zingeving raakt hun koude kleren niet en er wordt veel ‘geshopt’: koppels huwen bijvoorbeeld niet voor de kerk, maar laten hun kinderen wel dopen; graag een katholieke begrafenis en katholiek onderwijs maar geen seksuele moraal uit Rome; bidden is achterhaald, maar misschien heeft het Zen-Boeddhisme iets te bieden. Ach ja, dat is niet noodzakelijk negatief, maar het is wel symptomatisch voor het levensbeschouwelijk klimaat van vandaag. Er is enerzijds de rijkdom door de toegenomen diversiteit, er is anderzijds de uitholling door versplintering, inconsequente keuzes en bij velen een cynische houding ten aanzien van alles wat naar levensbeschouwing ruikt.
