"Laat het academiejaar beginnen op 1 september"
- 449
- editie
- nieuws en reportages
- categorie
- interview
- onderwijs
- sleutelwoorden
Waarom heeft u de stap gezet van onderwijzer naar onderwijsdirecteur?
In 1995 werd ik benoemd aan deze faculteit, ik ben dus al iets meer dan 10 jaar bezig en ik was al een tijdje aan het dromen over jobhoppen. In de industrie zie je een CEO van de ene functie naar de andere springen, maar binnen de universitaire wereld is dat zo goed als ondenkbaar. Toen de rector mij contacteerde — hij wist natuurlijk niet waar ik ’s nachts van droomde — dacht ik: waarom ook niet?
Wat wil u als onderwijsdirecteur bereiken?
Als je ministers vraagt wat ze gaan doen in hun legislatuur antwoorden ze: “geef me honderd dagen”. Ik ben in functie getreden op 22 november, dus m’n honderd dagen zitten er bijna op. Ik denk dat er vooral veel werk aan de winkel is om de universitaire structuren en het denken aan te passen aan de steeds complexere regelgeving. Na het bestuursdecreet, de participatie en de flexibilisering zit er een nieuwe financiering aan te komen, het landschap is dus volop in beweging. Dat kadert allemaal binnen de Lissabon-strategie: we moeten performant en concurrentieel worden. Dat is niet evident, zeker als je ziet dat vrije toegang en democratisering bij ons prioriteiten zijn, terwijl het er bij onze Amerikaanse “concurrenten” fundamenteel anders aan toe gaat.
We moeten proberen om de ontwikkelingen in de regelgeving goed te laten doordringen bij het academisch personeel, denk bijvoorbeeld maar aan de credits. In het verleden gaf een prof vaak een 9, zodat een student gedelibereerd kon worden als hij voor de andere vakken voldoende scoorde. Wie in een creditsysteem, waarbij de punten als supplementen bij de diploma’s zullen gevoegd worden, zoiets denkt, moet gewoon een 10 geven. Het is een realiteit dat heel wat achten en negenen eigenlijk verdoken tienen zijn. Het probleem is dat heel wat professoren nog met een historisch geheugen kampen, velen komen zoals ik uit het systeem waarin een 14 vereist was. Om die gevoeligheden goed aan te voelen heeft de UGent er ook voor gekozen om een academicus te benoemen tot hoofd van de DOWA.
Blijft er naast het omzetten van regelgeving dan wel genoeg tijd over voor kwaliteitszorg?
Kwaliteitszorg moet zeker een punt van blijvende aandacht zijn, al kunnen we op dat vlak in vergelijking met andere Vlaamse instellingen al een behoorlijk palmares voorleggen. Zo hebben we een goed uitgewerkt systeem van studentenevaluaties, dat binnenkort geüniformiseerd zal worden over de ganse instelling en elektronisch zal plaatsvinden. Ook hebben we de studietijdmeting, waar we heel ver mee gevorderd zijn.
Dringt een informatisering van de inschrijvingen zich niet op als je kijkt naar de lange wachtrijen?
De inschrijving van generatiestudenten gebeurt nu grotendeels manueel. In de toekomst zou men dat met de elektronische identiteitskaart online moeten kunnen doen, wat dan zou leiden tot het prompt afleveren van de studentenkaart met dezelfde foto als op de identiteitskaart. Dat is nu nog niet het geval omdat de IT-ondersteuning van de studentenadministratie hopeloos verouderd is. Op dit moment plant men een nieuw systeem, dat tegen de zomer van 2009 operationeel zou moeten zijn. Dat een aantal ontwikkelingen niet eerder hebben kunnen plaatsvinden, hangt natuurlijk samen met de structurele onderfinanciering van de UGent.
Ook de studenten die al ingeschreven zijn hebben problemen, denk maar aan de rompslomp bij creditcontracten.
Binnenkort komt er voor de studentenadministratie een elektronische verdeler voor ticketjes. Nu is het nog steeds zoals bij de slager om de hoek: een ticketje nemen en wachten tot het je beurt is. Administratieve vereenvoudiging is bon ton tegenwoordig, we hebben er zelfs een staatssecretaris voor (lacht), maar ik ga daar zeker ook werk van maken. Zo moet men zich de vraag durven stellen of het zinvol is dat een student voor een creditcontract bij de prof om een handtekening en bij de vakgroep om een stempel moet gaan, terwijl het even goed via mail opgelost zou kunnen worden.
Komt er een Single Point of Contact (SPOC), waar de student met al z’n problemen terecht kan?
Men zal in maart beginnen met de bouw van het Monovolume, de ingebruikname is voorzien voor de zomer van 2009. Daarin zal zeker een SPOC voorzien zijn. We hoeven echter niet zo lang te wachten om zo’n SPOC vorm te geven. Het is volgens mij niet realistisch om één iemand te hebben die alles onmiddellijk kan afhandelen, dat zou een bolleboos moeten zijn die van alles verstand heeft. Wel moet er zo snel mogelijk één aanspreekpunt komen, waar men adequaat doorverwijst naar de juiste balie, liefst in de onmiddellijke nabijheid. Binnenkort worden de vacatures verspreid voor de projectleiders van de SPOC. Het zal een moeilijk werkje zijn, maar een belangrijke stap is dat men de meest voorkomende problemen van de studenten in kaart zal brengen, zodat er een standaardprocedure ontwikkeld kan worden voor het beantwoorden van die vragen.
Worden de mogelijkheden van Erasmus voldoende benut?
Op gebied van studentenmobiliteit is er nog heel wat werk aan de winkel. Dat komt onder andere omdat we met een aantal zaken pas later begonnen zijn dan onze concurrenten, denk maar aan het semestersysteem. Op het vlak van het verstrekken van informatie kan er nog veel gebeuren, zo moeten we duidelijk schetsen wat de voordelen van zo’n uitwisseling zijn, niet alleen voor het onderwijs maar ook voor de persoonlijkheid. De confrontatie met een vreemde taal en een vreemde omgeving is immers enorm verrijkend. De UGent heeft wel een uitgebreid netwerk, maar ik vrees dat we dat netwerk niet ten volle benutten. Misschien houdt het matige succes van Erasmus ook wel verband met de kerktorenmentaliteit, waar we in Vlaanderen dringend vanaf zouden moeten raken.
Liggen de examens niet te dicht bij de eindejaarsperiode, nu het academiejaar een week vervroegd is?
Volgens mij staat dat systeem nog altijd niet op punt. Door de inhaalactiviteiten voor de kerstvakantie te leggen, is de kerstvakantie de naam vakantie eigenlijk niet meer waard. Het ballonetje dat m’n Leuvense collega Melis in jullie zusterblad heeft opgelaten was wel aantrekkelijk. (het academiejaar vervroegen, zodat de examens voor de kerstvakantie zouden vallen, nvdr) Ik ben zelf vader en ik ondervind de nadelen van dat systeem: als je een kind hebt aan de universiteit wiens vakantie geen vakantie meer is, weegt dat hoe dan ook op de familiale sfeer. Een reis maken of zelfs Kerstmis of Nieuwjaar vieren is niet meer evident.
Hoe kan je dat veranderen? De meest voor de hand liggende oplossing is het naar voren schuiven van het eerste semester. Concreet zou men het academiejaar net zoals het schooljaar op 1 september kunnen laten beginnen. Dan heb je nog steeds het probleem dat je in de periode tussen 1 september en 22 december, waar we nu gestopt zijn, de examenperiode niet helemaal kunt proppen. Misschien kunnen we dat oplossen met assymetrische semesters: in plaats van twee semesters van 12 weken zou dat in de toekomst een verhouding 10/14 kunnen zijn, waarbij de vakken bijvoorbeeld ook volgens een 2/3-verhouding verdeeld zouden kunnen worden.
Eigenlijk kijk ik met weemoed terug naar de tijd waar de student zich in de eerste maanden van het academiejaar met andere dingen kon bezighouden dan met studeren alleen, dat is ook voor het mens worden heel belangrijk. Spijtig genoeg is het semestersysteem noodzakelijk voor Erasmus en het is ondenkbaar om de klok nog terug te draaien. Dat is ook de zwakte van m’n idee om het academiejaar te hervormen: als het semestersysteem overal op dezelfde leest geschoeid is, wordt studentenmobiliteit meer aangemoedigd.
Taelman: Het is een realiteit dat heel wat achten en negenen eigenlijk verdoken tienen zijn.
