"Een studentenfiets: ideaal om te pikken"
- editie
- 445
- categorie
- nieuws en reportages
Een kleine rondvraag op de redactie leert dat er van amper drie op de ongeveer twintig redacteurs nog nooit een fiets is gestolen in Gent. Wie pikt al die tweewielers? Schamper ging op stap met een fietsendief. “Ik ben niet harteloos.”
Ik ben toch wat zenuwachtig. Als ik mee op pad ga met een fietsendief, word ik dan niet zelf ook een dief? Is een embedded journalist die in Irak meeloopt met een Amerikaanse soldaat, medeschuldig als die soldaat iemand neerschiet? In mijn ogen niet, maar ik denk dat de flikken, indien ze ons snappen, daar anders over zullen denken.
Ik heb afgesproken aan de parking van de Kinepolis met de dief in kwestie. Terwijl ik sta te wachten stel ik mij iemand met bivakmuts en zwarte handschoenen voor. “Hallo, ik ben Joris.” Niks bivakmuts, de dief die voor mij staat ziet er heel gewoon uit. “Niet opvallen is een eerste vereiste voor een goede dief,” lacht Joris. We vertrekken op een tocht langs fietsenrekken.
“Mijn eerste fiets kocht ik van een student,” steekt Joris van wal. “Hij pikte elke week een vijftal fietsen die hij op de binnenkoer van zijn kot zette. Als klant mocht je dan op zijn koer een exemplaar naar wens komen uitkiezen voor tien euro. Hij verkocht enkel aan bekenden. Zo verdiende hij genoeg bij om elke dag op café te zitten. Hoewel ik wist dat ik een gepikte fiets kocht, had ik geen morele bezwaren om ermee rond te rijden. Na twee maanden kwam ik op een zondagavond toe in Gent-Sint-Pieters. Ik liep naar de plaats waar ik de vrijdag daarvoor mijn fiets had achtergelaten. Geen fiets te zien, hij was gestolen. Ik vond het vooral jammer van het fietsslot, dat meer gekost had dan de fiets zelf.”
“Ik kocht mij een veel goedkoper slot. Mijn nieuwe fiets ging ik halen in de buurt van het station. Die maandagochtend pikte ik voor het eerst een fiets. Officieel gingen ik en een vriend mijn gestolen exemplaar terugzoeken. Als snel verschoof onze aandacht echter naar de losstaande fietsen. Sommige mankeerden een wiel of een pedaal, maar enkele leken perfect in orde. Die fietsen stonden daar gewoon zonder slot. Na twee uur zoeken hadden we drie losstaande exemplaren buitgemaakt. Eentje was rijklaar, met de onderdelen van de andere twee maakten we nog een berijdbare fiets.”
Ondertussen lopen we langs de vele fietsenrekken die Gent rijk is. “Je mag vooral niet te lang naar één rek of fiets blijven staan kijken. Dat valt enorm op”, geeft Joris als tip. “Je pikt beter eens een slechte fiets teveel dan uren op zoek te gaan naar een prachtexemplaar en dan betrapt te worden.”
“Toen ook mijn gestolen fiets gepikt werd, ben ik voor een grotere uitdaging gegaan. Een fiets stelen die op slot staat. Voordeel is dat de kans dat je er eentje pikt die direct volledig in orde is, groter wordt. Voor mij is een ideale fiets om te stelen een studentenfiets die goed onderhouden is. Geen opvallende mountainbikes of gloednieuwe fietsen, want daarvan zijn de eigenaars extra gemotiveerd om ze terug te vinden. Het beste is een oud-Amsterdammer en dan liefst een vrouwenfiets. Meisjes dragen beter zorg voor hun fiets en je hebt meer kans dat de lichten nog werken.”
Ik steel oude krotten die negen op de tien door de eigenaar zelf gestolen zijn
Als we aan een rek komen met een paar oude krotten houden we halt. Ik word toch wat zenuwachtig. “Die zenuwen gaan nooit over”, vertelt Joris. “Maar eens ik mijn tang in mijn handen heb, word ik rustig.” In zijn sporttas zitten duidelijk niet alleen sportkleren. Plots haalt hij een redelijk grote kniptang boven. Binnen de tien seconden is er een fietsslot doorgeknipt. Joris trekt de fiets uit het rek, steekt zijn tang terug in de sporttas en haalt er een nieuw fietsslot uit. Het nieuwe slot hangt hij rond het zadel van de fiets. “Indien de politie ons nu zou aanspreken, kan ik bewijzen dat het mijn fiets is doordat ik het fietsslot kan openen”, lacht hij.
Een kleine minuut, uitleg inclusief, en we lopen twee straten verder met een nieuwe fiets. “Niet alle dieven knippen op straat de sloten open”, gaat Joris verder. “Ik heb een vriend die dat te opvallend vindt. Hij steelt alleen fietsen die niet aan een rek of paal vasthangen. Hij neemt die dan mee naar zijn kot. Daar heeft hij een slijpschijf waarmee hij het slot doorsnijdt.”
Ik wil weten of hij het niet harteloos vindt andermans fiets te pikken. “Maar ik ben niet harteloos. Ik steel oude krotten die negen op de tien door de eigenaar zelf gestolen zijn. Meer nog: de meeste fietsendieven zijn voor rede vatbaar. Ik heb eens iemand ontmoet die fietsen op drukke plaatsen pikt. Hij ziet die overdag staan en legt er dan zelf een extra slot rond. Zo kan de eigenaar er niet meer mee wegfietsen. Als het dan donker is en wat rustiger, gaat hij de fiets ophalen.”
“Die gast had een mooie fiets zien staan voor De Brug. Hij legde er zijn slot rond. Toen hij ’s avonds de fiets wou gaan stelen vond hij een briefje. Daarop stond iets als: ‘Liefste dief, wil je alsjeblief mijn fiets niet stelen. Ik heb hem namelijk elke dag nodig om van het station naar de les te gaan. Alvast dank’. Hij heeft toen een ander fiets gestolen en op de achterkant geschreven: ‘Geen probleem. Heb de fiets ernaast meegenomen’.”
Op het einde van onze tocht wil ik nog weten waarom hij nu fietsen steelt. “Zeker niet voor het geld,” zegt Joris. “Eerder omdat ik of een vriend echt een fiets nodig hebben en ook wel een beetje voor de kick.”
De naam van de dief werd veranderd.
