Luc Moens, He-man en vice-rector
- 435
- editie
- nieuws en reportages
- categorie
- interview
- rectoraat
- UGent
- sleutelwoorden
Vorig jaar werd u tot vice-rector verkozen. Wat zijn uw bevoegdheden?
De vice-rector was tot enkele jaren geleden niets meer dan de vervanger van een afwezige rector. Alle taken worden dan overgedragen naar de vice-rector voor die bepaalde periode. Hij had geen eigen afgelijnde taak met andere woorden. Vandaag is er wel degelijk een duidelijk omlijnd takenpakket voor de vice-rector, maar in feite is dat gebaseerd op onderlinge afspraken met de rector. Neem nu onze situatie. Rector Van Cauwenberge koos voor ‘onderzoek’ als taak, terwijl ik de onderwijskant tot mijn rekening neem. Tevens heb ik het Industriëel Onderzoeksfond (IOF) onder mijn vleugels genomen.
Als je vergelijkt met het buitenland, zie je vaak dat er een klein legertje aan vice-rectoren klaarstaat om de rector te assisteren. Elk heeft zijn eigen taak en verantwoordelijkheid. Eentje voor onderwijs, eentje voor onderzoek, enzovoorts. Bij ons is het dus kleinschaliger: één rector, één vice-rector. Het komt er dus vooral op neer om de taken goed te verdelen en te delegeren. We werken in teamverband: op de vergaderingen waar ik aanwezig ben, is hij veelal afwezig en omgekeerd omdat onze drukke agenda’s een andere organisatie onmogelijk maakt. Uiteindelijk heeft de rector wel in alles de eindverantwoordelijkheid.
Met uw nieuwe job, komt u nog toe aan wetenschappelijk onderzoek?
Ik heb altijd een grote onderzoeksgroep gehad, en die heb ik in grote mate kunnen laten verder bestaan dankzij collega’s. Zij hebben die groep overgenomen en dat blijft zo. Parallel daarmee heb ik een kleinere onderzoeksgroep opgestart over een totaal ander onderwerp. Met beide blijf ik in contact zodat ik later de mogelijkheid heb om op die onderzoeksgroep terug te vallen. Die kleinere onderzoeksgroep laat nog toe dat ik meehelp, hoofdzakelijk omdat hij veel minder arbeidsintensief is. Maar echt onderzoek doen? Studenten bijstaan met hun doctoraat elke dag en zo? Neen, dat is er niet meer bij, maar dat wordt opgevangen door doctorandi en assistenten. Tja, ik doe nu eenmaal graag onderzoek, maar als je besluit het rectoraatspad te volgen, dan is de keuze inzake wetenschappelijk onderzoek in feite al gemaakt.
Welke accenten wil u leggen tijdens uw termijn?
Eerst en vooral is het mijn bekommernis om de mij toebedeelde taken naar behoren uit te voeren. Neem nu het IOF, een vrij nieuw project, waarvan ik hoop dat de doelstelling verwezenlijkt kan worden: het delegeren van onze kennis naar concrete toepassingen en andere sectoren. Ik zie daarin ook een goed middel om onze associatiepartners meer bij onze werkzaamheden te betrekken. Ongetwijfeld kent u de problematiek van de associatie. Het is niet evident om samen te werken met partners met een totaal verschillende achtergrond. Universitairen zijn toegelegd op onderzoek, terwijl vooral het onderwijs centraal staat bij de hogescholen.
Hogeschool vs. Unief
De verschillen tussen hogeschool en universiteit zijn legio. Binnen het associatiemodel is het opportuun om ze naar elkaar te laten groeien, maar hoe ziet u dat gebeuren?
Hoe die toenadering forceren? Volgens mij is het IOF daar een goed begin voor. Door mensen te identificeren met bepaalde onderzoeken en niet met de instellingen waaraan ze werken of gestudeerd hebben, kan zonder twijfel beter samengewerkt worden rond specifieke thema’s. Het IOF is daar uitermate geschikt voor: vermarkting en het omzetten naar bruikbare ‘output’ is een van zijn taken. Want nu doen wij als universitairen vaak erg fundamenteel onderzoek, terwijl de hogescholen het meer moeten hebben van contacten met industrie, kmo’s. Ze zijn eerder op de pragmatische zijde van onderzoek gericht.
Er zijn een aantal grote verschillen in culturen tussen ons. De opdracht van de lesgevers in de hogeschool is erg zwaar, hetgeen maakt dat het moeilijker is om in te stappen in onze sterk academische cultuur. Hoe moeten we dat verhelpen? Moeilijke vraag. Het zal er vooral op aan komen om diegenen die bereid zijn en interesse vertonen in te schakelen binnen bepaalde onderzoeken om ze te stimuleren en te activeren. Misschien moeten we binnen de hogescholen specifieke maatregelen nemen. Het onderwijs verminderen lijkt een pad, maar dat is een proces van lange adem. Voorts is het niet aan de universiteiten om de hogescholen te vertellen hoe dat moet gebeuren. We moeten dat in samenspraak doen, maar ik denk dat de enige manier om geacademiseerd te zijn in de ware en volle zin van het woord een zeer sterk accent op onderzoek betekent.
Hoe ziet u onderwijs dan op universitair niveau?
De onderwijsraad is mij toevertrouwd en daarin ga ik me vooral concentreren op de BaMa-hervorming. Ze is grotendeels achter de rug, maar de eigenlijke uitwerking moet nog beginnen. Ondertussen zitten we aan de tweede bachelor die voor alle opleidingen opgestart is, maar aan masteropleidingen zijn we nog niet gekomen. In het kader daarvan kunnen en dienen we ons te concentreren op het internationaliseren van de diploma’s, in de lijn van wat de rector wil. Al ligt de beslissing daarvoor niet bij ons, maar bij de regering en die lijkt niet erg happig.
De toekomst
Los van de zaak Vandamme, wat is uw mening over de wildgroei aan postgraduaten?
Het probleem daarbij is dat er inderdaad een overaanbod is aan masters na masters. We moeten dat zeker nader bekijken en evalueren, maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien. Er zijn zonder twijfel een aantal zeer waardevolle postgraduaten, die nauw aansluiten bij de arbeidsmarkt. Ik denk daarbij aan de archivistiek en de journalistiek. Misschien is het zelfs opportuun om een aantal van die postgraduaten te integreren in de tweejarige masters. Zo gaat die kennis niet verloren en sluiten we beter aan bij de andere Europese universiteiten qua studiejaren. Probeer maar een Nederlander te overtuigen dat jij in vier jaar evenveel hebt gezien als hij in vijf jaar.
Minister Vandenbroecke stelt voor om alles na de eerste opleiding niet meer te financieren. Is dit in se geen asociale maatregel?
Ik deel uw mening volledig, want mij lijkt het ook een eerder asociale regeling. Door de kans om de studies verder te zetten te linken aan de financiële status, bestaat het gevaar dat een stuk van de wetenschappelijke kennis verloren gaat. Een aantal manama’s zullen noodgedwongen moeten verdwijnen omdat bedrijven er geen commerciële meerwaarde in zien om die opleiding te betalen voor hun werknemers. Ingenieurs en wetenschappers zullen wel gesponsord worden, maar ik zie hetzelfde niet gebeuren voor mensen uit de zachte wetenschappen.
Een systeem van studiebeurzen of studentenleningen dan?
Dat is een optie, maar die mogelijkheid is nog helemaal niet ingeplant. Daarbij komt nog dat het geen deel van onze cultuur is om bijvoorbeeld een lening aan te gaan zonder iets achter je. Toen ik het voorstel van Vandenbroecke las, heb ik alleszins de wenkbrauwen zwaar gefronst.
Weetwel
Zowel Vervenne als Van Cauwenberge hebben de wens uitgesproken om de academische strijdbijl te begraven. Is dit haalbaar?
Tja, op persoonlijk vlak is dat alleszins een reële mogelijkheid. Toen ik nog decaan was aan de faculteit wetenschappen, werden de interuniversitaire geschillen soms begraven in functie van een ‘front’ van de verschillende wetenschapsfaculteiten. Het is dus wel degelijk haalbaar, al zal er altijd een vorm van concurrentie blijven. We vissen immers uit dezelfde vetpot als het om subsidies gaat en we willen allebei een zo groot mogelijk deel.
Als decaan stond u bekend om uw goede relatie met het studentenvolkje. Ziet u dit nog mogelijk als vice-rector?
Het doet me alleszins deugd om dat te horen, maar de situatie is wel veranderd. Als decaan is contact veel gemakkelijker, maar nu zit ik met veel meer vergaderingen en andere verplichtingen. Pas op, de studentenvertegenwoordigers waar ik de afgelopen weken mee in contact ben gekomen, leken mij geëngageerd en ze kenden hun dossiers terdege.
Communicatie is nooit het sterke punt van de UGent geweest. Hoe denkt u die problematiek aan te pakken?
In feite is het ons doel, van de rector en mezelf, om zowel intern als extern de communicatie te verbeteren. Naar buiten toe moet de communicatie gerichter zijn, maar ook tussen de verschillende afdelingen dient op een efficiëntere manier gecommuniceerd te worden. Dat onze nieuwe rector een uitmuntend communicator is en er zijn persoonlijke queeste van gemaakt heeft, zijn voor mij althans goede voortekenen.
Uw voorganger, Marc De Clercq, heeft de golf aan nieuwbouw in gang gezet. Geen spijt dat u daar nog amper inbreng in kan hebben?
Binnen die bouwplannen is nog enige vrijheid voor veranderingen, maar in hoofdzaak liggen die plannen vast. Nu zitten we in de constructiefase en moeten we vooral toezien dat de werken ordelijk verlopen. Je moet ook beseffen dat het een investering is die we niet snel terug zullen kunnen doen. Driehonderd miljoen euro op tafel smijten is niet iets voor elk jaar, maar het was wel noodzakelijk. Of ik spijt heb dat het niet mijn project is? Neen, niet echt, er zijn andere projecten waar ik mijn enthousiasme in kwijt kan.
Van bouwplannen naar de boekentoren. Zou u zelf ook een trede sponsoren voor de renovatie van onze academische erectie?
Jazeker. Ik besef wel dat die actie geen miljoenen gaat opbrengen, maar het is vooral symbolisch belangrijk. PR-gewijs is de actie ook amper belangrijk, want die treden zijn deel van een trap die je toch nooit gaat zien omdat hij vanbinnen loopt. Het is eerder bedoeld als sympathieke actie.
